Aanvullende artikelen


Deze artikelen zijn verdere verdiepende bijdragen, behorende bij het hoofdartikel ‘Historiciteit en Spiritualiteit’.




< Terug naar inhoudsopgave

Spirituele ervaringen in de bijbel

 

Spirituele ervaringen, gelicht uit de context van het bijbelverhaal, zijn weinig zeggend. Toch is dat een noodzakelijke stap in de ontwikkeling van een integrerende spiritualiteit, omdat daarmee het vormelement van het mysterie zichtbaar en beschrijfbaar wordt. Het overzicht bevat dus een aantal spirituele ervaringen uit de bijbel[1] met weglating van de gehele verhalen waar deze spirituele ervaringen deel van uitmaken.

 

1. Abram (Abraham)

De Heer verscheen aan Abram en zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’ Toen bouwde Abram op die plaats een altaar voor de Heer, die aan hem verschenen was (Genesis 12:7).

Enige tijd later richtte de Heer zich tot Abram in een visioen: ‘Wees niet bang, Abram: ikzelf zal jou als een schild beschermen. Je loon zal vorstelijk zijn (Genesis 15:1).

Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de Heer aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven. Ik wil jou een verbond aangaan en ik zal je veel, heel veel nakomelingen geven.’ Abram boog zich diep neer en God sprak…(Genesis 17:1–3).

De Heer verscheen opnieuw aan Abraham, bij de eiken van Mamre. Op het heetst van de dag zat Abraham in de ingang van zijn tent. Toen hij opkeek, zag hij even verderop plotseling drie mannen staan (Genesis 18:1–2).

Een engel van de Heer riep vanuit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ik luister’, antwoordde hij (Genesis 22:11).

 

2. Hagar

Een engel van God riep Hagar vanuit de hemel toe: ‘Wat is er, Hagar? Wees niet bezorgd: God heeft je jongen, die daar ligt te kermen, gehoord. Sta op, help de jongen overeind en ondersteun hem. Ik zal een groot volk uit hem doen voortkomen.’ Toen opende God haar de ogen en zag ze een waterput (Genesis 21:17–19).

 

3. Jakob

Toen kreeg hij (Jakob) een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods engelen omhoog gaan en afdalen. Ook zag hij de Heer bij zich staan, die zei: ‘Ik ben de Heer, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaäk. Het land, waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven…… Toen werd Jakob wakker. ‘Dit is zeker,’ zei hij, ‘op deze plaats is de Heer aanwezig. Dat besefte ik niet.’ Eerbied vervulde hem. ‘Wat een ontzagwekkende plaats is dit,’ zei hij, ‘dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort van de hemel zijn (Genesis 28:12-17)!’

Nu Jakob was teruggekeerd uit Paddan-Aram, verscheen God hem opnieuw, en hij zegende hem. Hij zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob. Die naam zul je niet langer dragen: Israël is je nieuwe naam (Genesis 35:9–10).’

 

4. Mozes

Eens dreef hij (Mozes) de kudde tot voorbij het steppenland, en zo kwam hij bij de  Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de Heer aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd.Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? Dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. Maar toen de Heer zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes! ‘Ik luister’, antwoordde Mozes (Exodus 3:1–4).

De Sinai was volledig in rook gehuld, want de Heer was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltover, en de berg trilde hevig. Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. De Heer was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven (Exodus 19:18–20).

 

5. Bileam

Toen opende de Heer Bileam de ogen, zodat hij de engel van de Heer op de weg zag staan, met het getrokken zwaard in de hand. Hij knielde en boog diep voorover. De engel van de Heer vroeg hem: …Numeri 22:31–32).

 

6. Jozua

Toen Jozua eens in de omgeving van Jericho liep, zag hij plotseling een man tegenover zich met een getrokken zwaard in de hand. Jozua ging op hem af en vroeg: ‘Hoor je bij ons of bij de vijand?’ De man antwoordde: ‘Bij geen van beide, ik ben de aanvoerder van het leger van de Heer. Daarom ben ik hier. Jozua viel op zijn knieën, boog diep voorover en vroeg hem: ‘Mijn heer, ik ben uw dienaar, wat beveelt u mij?’ De aanvoerder van het leger van de Heer zei tegen Jozua: ‘Trek je sandalen uit, want de plaats waarop je staat is heilig.’ Jozua deed wat hem bevolen was (Jozua 5:13–15).

 

7. Manoah en zijn vrouw.

Op een dag verscheen bij de vrouw van Manoach van de stam van Dan, een engel van de Heer. ‘Tot nu toe was u onvruchtbaar en hebt u geen kinderen gekregen,’ zei hij. ‘Maar nu zult u zwanger worden en een zoon baren… De vrouw ging naar haar man en vertelde hem dat er een godsman bij haar was geweest. ‘Hij zag er bijzonder ontzagwekkend uit,’ zei ze, ‘het leek wel een engel van God. Ik heb hem niet gevraagd waar hij vandaan kwam en hij heeft me zijn naam niet gezegd… Toen de engel van God voor de tweede keer aan haar verscheen haalde zij haar man erbij. Deze vroeg naar zijn naam. Maar de engel van de Heer antwoordde: ‘Waarom vraagt u naar mijn naam? Die is voor u toch te wonderbaarlijk… Vervolgens offerden Manoah en zijn vrouw een geitenbokje. Toen gebeurde er voor de ogen van Manoach en zijn vrouw iets wonderbaarlijks: in de vlam die van het altaar opschoot naar de hemel steeg de engel van de Heer op. Manoach en zijn vrouw zagen het gebeuren; ze vielen op hun knieën en bogen diep voorover (Rechters 13:2–20).

 

8. Samuël

De jonge Samuël diende dus de Heer, onder de hoede van Eli. Er klonken in die tijd zelden woroden van de Heer en er braken geen visioenen door… Samuël lag te slapen in het heiligdom van de Heer, bij de ark van God. De godslamp was bijna uitgedoofd. Toen riep de Heer Samuël. ‘Ja’, antwoordde Samuël. Hij liep snel naar Eli toe en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’ Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.’ … Dat herhaalde zich nog eens twee keer. Toen begreep Eli dat het de Heer was die de jongen riep. Hij zei tegen Samuël: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert (1 Samuël 3 : 1–9).”’

 

9. Salomo

Te Gibeon verscheen de Heer aan Salomo in een droom. ‘Vraag wat je wilt,’ zei God. ‘ik zal het je geven.’… Salomo antwoordde: ‘Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad (1 Koningen 3:5–9 en 2 Kronieken 1:7).  

Toen Salomo de bouw van de tempel voor de Heer en van het koninklijk paleis voltooid had, en ook al zijn andere bouwplannen ten uitvoer had gebracht, verscheen de Heer hem een tweede keer, zoals hij hem ook in Gibeon was verschenen (1 Koningen 9:1–2 en 2 Kronieken 7:12).

 

10. Elia

En daar kwam de Heer voorbij. Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de Heer uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de Heer bevond zich niet in de windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de Heer bevond zich niet in de aardbeving. Na de aardbeving was er vuur, maar de Heer bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries. Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht. Hij kwam naar buiten en ging in de opening van de grot staan, en daar klonk een stem die tot hem sprak (1 Koningen 19:11–13).

 

11. Jesaja

In hert sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. Boven hem stonden serafs. Elk ban hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de Heer van de hemelse machten, gezien.’ … Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen… (Jesaja 6:1–8).’

 

12. Ezechiël

Op de vijfde dag van de vierde maand in het dertigste jaar, toen ik te midden van de ballingen bij het Kebarkanaal woonde, opende zich de hemel em kreeg ik een visioen van God. … Dit is wat ik zag: een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen. Daar middenin zag ik iets dat glansde als wit goud. In het midden van het vuur zag ik iets dat leek op een viertal wezens. Ik keek naar de wezens, en ik zag bij elk van de vier een wiel op de grond staan, aan de voorkant. De wielen glansden alsof ze gemaakt waren van turkoois … Hun velgen waren angstwekkend hoog, en elk van de vier velgen was afgezet met ogen. … En boven de hoofden van de wezens was een soort koepel, glinsterend als ijs, angstwekkend – deze koepel strekte zich hoog boven hun hoofden uit. … En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. … Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de Heer, en toen ik dit alles zag, wierp ik me voorover op de grond. Ik hoorde een stem die tegen mij zei…(Ezechiël 1).

Toen ik in het dal kwam stond daar de stralende verschijning van de Heer, die ik ook bij het Kebarkanaal gezien had, en weer wierp ik mij voorover op de grond (Ezechiël 2:23).

 

13. Daniël

In het eerste jaar van koning Belsassar van Babylonië had Daniël een droom, beelden kwamen in hem op tijdens zijn slaap. Hij schreef die droom op en zijn verslag begon aldus: ‘Ik had een nachtelijk visioen waarin ik zag hoe de vier winden van de hemel de grote zee in beroering brachten. Vier grote dieren rezen op uit de zee, elk met een andere gestalte. Het eerste dier leek op een leeuw… Toen verscheen er een tweede dier; het leek op een beer… Daarna zag ik een ander dier; het leek op een panter… Daarna zag ik in mijn nachtelijke visioenen een vierde dier, angstaanjagend, afschrikwekkend en geweldig sterk, met grote ijzeren tanden… en het had tien horens (Daniël 7: 1–14).

In het derde regeringsjaar van koning Belsassar kreeg ik, Daniël, na het visioen dat ik eerder had ontvangen weer een visioen… Ik zag een ram met twee horens… Toen ik ernaar keek, zag ik vanuit het westen een geitenbok aankomen, hij snelde over de uitgestrekte vlakte… en doodde de ram (Daniël 8:1–7).

 

14. Zacharia

Vannacht had ik een visioen. Ik zag een man op een voskleurig paard. Hij stond tussen de mirtestruiken aan de oever van het diepe water, en iets verderop stonden nog meer paarden: roodvossen, goudvossen en schimmels. ‘Wat betekent dat, mijn heer?’ vroeg ik, en de engel die met mij sprak antwoordde: ‘Ik zal je laten zien wat dit betekent (Zacharia 1:8–9).’ (In totaal kreeg Zacharia acht visioenen.)

 

15. Jozef

In en droom verscheen hem een engel van de Heer. De engel zei:… (Matteüs 1:20).

 

16. Jezus

Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor hem en zag hij hoe de Geest van God als een duif op hem neerdaalde. En uit de hemel klonk een stem… (Matteüs 3:16–17, Marcus 1:10, Lucas 3:21-22).

 

17. Petrus, Jacobus en Johannes

Voor hun ogen veranderde hij (Jezus) van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. Plotseling verschenen aan hen Mozes en Elia, die met Jezus in gesprek waren (Matteüs 17:2–3, Marcus 9:2–4, Lucas 9:29-30).

 

18. Maria van Magdala (Maria en Salomé en anderen)

Na de sabbat, toen de ochtend van de eerste dag van de week gloorde, kwam  Maria uit Magdala met de andere Maria het graf kijken. Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de Heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw… De engel richtte zich tot de vrouwen en zei: ‘Wees niet bang, ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. Hij is niet hier, hij is immers opgestaan, zoals hij gezegd heeft (Matteüs 28:1–6, Marcus 16:5–6, Lucas 24:1–10, Johannes 20:1-18).

Hij verscheen eerst aan Maria uit Magdala, … Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen toen ze buiten de stad aan het wandelen waren. … Tenslotte verscheen hij aan de elf … (Marcus 16:9–14, Lucas 24:13–43, Johannes 20:19–21).

 

19. Zacharias

Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond. Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen (Lucas 1:11–12).

 

20. Maria

In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had (Lucas 1:26–29).

 

21. De herders

Herders brachten de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen… En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees (Lucas 2:8–13).

 

22. De apostelen

Hij (Jezus) werd voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen (Handelingen 1:9).

Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten…(Handelingen 2:2–3).

 

23. Stéphanus

Hij zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond, en hij zei: ‘Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat (Handelingen 7:55–56).

 

24. Petrus

Hij (Petrus) werd gegrepen door een visioen. Hij zag hoe vanuit de geopende  hemel een voorwerp dat op een groot linnen kleed leek aan vier punten op de aarde werd neergelaten. Op het kleed bevonden zich alle lopende en kruipende dieren van de aarde en alle vogels van de hemel. Hij hoorde een stem zeggen… (Handelingen 10:10–13).

 

25. Paulus

Toen Paulus onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door een licht uit de hemel. Hij viel op de grond en hoorde hij een stem tegen hem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?’ (Handelingen 9:3–4, 22:3–16, 26:9-18).

Later, toen ik (Paulus) terug was in Jeruzalem en in de tempel aan het bidden was, werd ik opeens gegrepen door een visioen. Ik zag de Heer, die tegen mij zei… (Handelingen 22:17–18).

Die nacht kwam de Heer bij Paulus en zei: ‘Houd moed…!’ (Handelingen 23:11).

Ik (Paulus) ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd – in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. Maar ik weet dat deze man… werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken (2 Korintiërs 12:2–4).

 

26. Johannes

Openbaring van Jezus Christus, die hij (Johannes) van God ontving om aan de dienaren van God te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet. Hij heeft zijn engel deze openbaring laten meedelen aan zijn dienaar Johannes (Openbaring 1:1)

 

Aantekening



[1] Bedoeld is hier de christelijke bijbel in de vorm van de canon, zoals deze in de protestantse kerken wordt gebruikt. De geciteerde teksten zijn, met enkele kleine wijzigingen, overgenomen uit de vertaling van ‘De Nieuwe Bijbelvertaling’ (NBV).



< Terug naar inhoudsopgave