Aanvullende artikelen


Deze artikelen zijn verdere verdiepende bijdragen, behorende bij het hoofdartikel ‘Historiciteit en Spiritualiteit’.




< Terug naar inhoudsopgave

Spirituele ervaring in de discoursen godsdienst, wetenschap en mysterie

 

Inhoud

 

1 Spirituele of paranormale ervaring?

2 De discoursen bepalen de naamgeving van de ervaring

3 Mijn positionering in de discoursen godsdienst, wetenschap en mysterie

Aantekeningen

 

1 Spirituele of paranormale ervaring?

 

Mensen vertellen over hun ontmoeting met het mysterie in korte verhalende vorm. In het narratieve komt het mysterie als het ware tot uitdrukking. Deze vorm heb ik de naam gegeven: spirituele ervaring, waarbij het begrip ervaring dus primair duidt op de verhalende vorm van het mysterie. Hoe rudimentair en ‘gebrekkig’ de verschillende ‘verhalen’ ook moge zijn, niemand zal het narratieve karakter van deze ervaringen in twijfel willen trekken. Dat ligt anders met de inhoud van de verschillende verhalen. Waarom zouden deze allemaal als uitingsvorm van het mysterie moeten worden beschouwd? Wat te denken van het volgende ervaringsverhaal?

 

            Ik kwam eens een keer in een gezelschap en opeens stond er iemand in een lichtend aureool. En de boodschap die er voor mij kwam was: 'kom niet dichter­bij', en 'raak mij niet aan'. Zo plotseling als het kwam, was het ook weer weg. Nu moet ik hierbij ineens aan Mozes denken.[1]

 

Is dit nu een spirituele ervaring? Of is de kwalificatie paranormale ervaring beter? Want de betrokkene ziet iets, een aureool, dat normaal niet wordt waar­genomen. Een paranormale ervaring dus. Maar door het bijbelse verband dat gelegd wordt met Mozes kan deze ervaring ook worden geduid als een Godservaring. Maar evengoed zou het, met de terminologie van Rudolf Otto, een numineuze ervaring kunnen zijn, vooral vanwege het ‘raak mij niet aan’. Otto zou dat benoemen als huiver voor het heilige. Of misschien is de aanduiding: religieuze ervaring toepasselijker. De ervaring ligt immers duidelijk op het terrein van het religieuze. Een aureool vindt men ook in de mystieke litera­tuur. Dus waarom is het geen mystieke ervaring? Bij andere ervaringsverhalen zou ook sprake kunnen zijn van een esthetische ervaring. Volgens Maslow[2] kunnen dit soort ervaringen ook getypeerd worden als topervaringen, zeker de ervaringen waarin de betrokkene vertelt zich een ogenblik boven het bestaan voelt uitgetild. De conclusie ligt dan ook voor de hand dat dit soort ervaringen met verschillende namen benoemd kunnen worden.

 

Het mysterie kan dus kennelijk evengoed vervangen worden door bijvoorbeeld het esthetische, het paranormale, het mystieke, het numineuze en het religieuze. Dat maakt deze ervaring ongrijpbaar en verdacht. De ervaring is meervoudig te benoemen. Je kunt er alle kanten mee op. Dat is geen ideaal uitgangspunt voor verheldering door onderzoek. Wellicht ligt hier in de oorzaak dat de spirituele ervaring niet tot methodisch uitgangspunt wordt gemaakt. Mijns inziens ligt de oorzaak van dit probleem niet aan de inhoud van de ervaring, maar aan de huidige pluriforme cultuur met meervoudige interpretatiekaders. In het model van de driehoek (zie hoofdstuk 1) heb ik drie van deze kaders beschreven als niet tot elkaar te herleiden. Als zaken niet tot elkaar te herleiden zijn wordt een eendui­dige beschrijving onmogelijk. Het zou te vergelijken zijn met een zelfde onmogelijkheid wanneer ik een voor­werp zou moeten beschrijven dat rond, maar tege­lijk vier­kant en ook nog eens vormloos zou zijn. Men moet dus in de beschrijving kie­zen. Men kan het voorwerp heel goed als rond beschrijven. Maar met hetzelfde recht kan een ander het voorwerp als vierkant typeren en een derde kan hetzelfde voorwerp nog eens als vormloos beschrijven. Het resultaat is meestal dat een vierde probeert de drie componenten tot één component samen te voegen. Als dat dan mislukt kiest men veelal geďrri­teerd voor één component en verwerpt men de andere twee als niet bestaand. Daarmee is in het kort de geschiedenis beschreven op welke wijze in onze wes­terse cul­tuur werd en wordt omgegaan met een ervaring die 'ron­d', tegelijk 'vier­kant' en ook nog 'vormloos' is.

 

De niet tot elkaar te herleiden entiteiten heb ik in hoofdstuk 1 beschreven als godsdienstige traditie (of kortweg: godsdienst), wetenschap en mysterie, met de daarbij behorende drie discoursen. Het is deze culturele situatie die de verscheidenheid van benoeming van wat ik noem de spirituele ervaring oplevert.

 

2 De discoursen bepalen de naamgeving van de ervaring

 

De vele namen waaronder de ervaringsverhalen in de literatuur worden aangeduid en behandeld, kunnen in onderlinge verhouding uitgezet worden in een veld, dat bepaald wordt door de entiteiten: godsdienst, wetenschap en mysterie. De door deze entiteiten opgewekte discoursen zijn de bronnen van waaruit de benoeming en typering van de ervaringsverhalen tot stand komen. Gebruikmakend van het driehoekmodel kan de volgende ‘kaart’ worden gemaakt, waarin de verschillende naamgevingen van deze ervaringen ieder hun plaats kunnen krijgen. Het schema ziet er dan als volgt uit.

 

 

De gestippelde ovalen in dit schema stellen de discoursen voor. De pijlen geven de primaire en secondaire oriëntatie weer in de benoeming van de ervaring. De term ‘topervaring’, zoals Maslow gebruikt, duidt primair het wetenschappelijk te beschrijven karakter van deze ervaring aan, met secondaire aandacht voor de kant van het mysterie. In hetzelfde discours benoemt Otto de ervaring met de term numineus, met daarin primaire aandacht voor het mysterieuze zoals dat in het mysterie tot uitdrukking komt, met secondaire aandacht voor het wetenschappelijke aspect van het ‘verschijnsel’ van het numinueze. Binnen het discours van godsdienst en mysterie is de primaire oriëntatie in de term mystiek het mysterie, terwijl dat voor de spirituele ervaring het godsdienstig geloof is. Op dezelfde wijze is er verschil in de benoeming van deze ervaring als religieuze ervaring en Godservaring.

 

Tevens laat dit schema zien dat er niet alleen verschil in benaming optreedt door verschil in primaire en secondaire oriëntatie, maar mede door het onderscheid in discoursen. Ook hier geldt dat de plaats van een begrip in het schema afhankelijk is van de primaire aandacht, die dat begrip veronderstelt. Secondair kan bijvoorbeeld het begrip numineus ook op het geloof worden betrokken, zoals Otto daadwerkelijk deed. Zo kan bijvoorbeeld een spirituele ervaring secondair opgevat worden als een paranormale ervaring en een mystieke ervaring als topervaring, enzovoorts. In het schema zijn de naamsaanduiding en begripsomschrijvingen van deze ervaring geplaatst in de meest voor de handliggende primaire plaats in het geheel van discoursen en oriëntaties.

 

Wat dit schema vooral laat zien is de afhankelijkheid van discoursen en hun oriëntaties bij de benoeming van deze ervaring. Tevens toont het schema aan dat de verscheidenheid van namen voor deze ervaring voortkomt uit de innerlijke diversiteit van de westerse cultuur. Of het in al deze verschillende benoemde en daaruit voortvloeiende verscheidenheid aan beschrijvingen van de ervaring van het mysterie inderdaad telkens om dezelfde ervaring gaat kan echter niet worden bewezen en blijft dus een vooronderstelling. Elke benoeming van deze ervaring kan slechts, methodologisch opgevat, vanuit een keuze voor een positie in het veld van godsdienst, wetenschap en mysterie, ondernomen worden. Deze keuze is in onze huidige cultuur onontwijkbaar. Deze keuze is persoonlijk en hangt samen met de eigen levensgeschiedenis. Als illustratie daarvan zal ik nu mijn keuze legitimeren en mijn positionering in de discoursen godsdienst, wetenschap en mysterie.

 

3 Mijn positionering in de discoursen godsdienst, wetenschap en mysterie [3]

 

Mijn positie keuze als predikant in het complexe veld van spiritualiteit begon enigszins schokkend. Dat was in Rekken, een klein dorp aan de Duitse grens. Ik was daar predikant in de Hervormde Kerk van 1969 tot 1974. In mijn daaraan voorafgaande theologische opleiding werd onder meer veel aandacht gegeven aan de theologie en dogmatiek van de Zwitserse theoloog Karl Barth. Zijn theologie leerde dat de pastor zich  niet of weinig moet oriënteren op menselijke ervaring, maar op de Openbaring, het Woord van God, zoals dat in de bijbel tot ons komt. Daardoor begon ik mijn loopbaan als predikant met behoorlijk wat scepsis ten aanzien van wat mensen allemaal kunnen ervaren.

 

Toen werd ik plotseling geconfronteerd met datgene, wat ik in mijn dissertatie[4] benoemde met het begrip religieuze ervaring en wat ik in deze studie typeer als spirituele ervaring. Het woord religieuze ervaring was in de zeventiger jaren wel bekend binnen protestants Nederland, terwijl  het woord spirituele ervaring niet voor kwam in de reformatorische theologische literatuur. Mijn eerste confrontatie als pastor met een spirituele ervaring vond plaats in het begin van 1970. Een lid van de kerkenraad was ziek geworden en lag in Enschede in het ziekenhuis. Op een morgen zocht ik hem op. Terwijl ik bij zijn bed zat, vertelde hij me dat hij die nacht Christus had gezien, verschenen aan hem in het ziekenhuis. Hij vertelde zijn ervaring met grote nadruk op het woordje zien. Het gesprek dat daaruit voortvloeide laat ik nu buiten beschouwing. Wat zeker ook meespeelde, en daar gaat het in dit verband om, was dat dit voor mij een moment was waarin, als in een flits, ik mijn positie moest bepalen ten aanzien van menselijke ervaring en in het bijzonder ten aanzien van spirituele ervaring. De ervaring van dit zieke gemeenlid kwam niet uit de bijbel, hoewel het er wel een raakvlak mee had: hij sprak immers over Christus. Was dit toch openbaring, maar dan buiten de bijbel om? Of had deze zieke mens zich wat ingebeeld? Hij was uiteindelijk toch ziek! Misschien was hij wat in de war. Daar bleek overigens niets van. Bovendien kende ik hem als een nuchtere evenwichtige man.

 

Enige jaren later ben ik op zoek gegaan naar meer van zulke ervaringen van mensen. Dat deed ik door enkele voorbeelden te vertellen, die ik uit de literatuur haalde, om vervolgens te vragen of mensen dit herkenden. Op deze manier kreeg ik een verzameling van zulke spirituele ervaringen (zie cd-rom 9). Met dit soort door verschillende mensen aan mij vertelde ervaringen kreeg ik zicht op datgene wat een relatie had met het inmiddels in theologie en samenleving geďntroduceerde woord spiritualiteit. Mij werd echter tevens duidelijk dat onder de alsmaar toenemende populariteit van het woord spiritualiteit de meest uiteenlopende zaken werden begrepen. Ik neem graag aan dat spiritualiteit vele andere betekenissen kan hebben, zoals bijvoorbeeld de Veluwse bevindelijkheid, de indiaanse spiritualiteit, de spiritualiteit van het niet-weten of van het getal, de franciscaanse spiritualiteit en de spiritualiteit van de Heilige Liturgie in de Orthodoxe kerken. Voor mij was de ontsluiting van spiritualiteit echter, de persoonlijke ervaringen van mensen, die mij hun ervaring toevertrouwden, soms anoniem, soms erbij opmerkend er met niemand anders over te praten. En mijn eerste indruk was bij al deze verhaalde ervaringen, wat mijn gemeentelid uit Rekken was overkomen in het ziekenhuis, was velen overkomen. Er bestaat kennelijk zoiets als een persoonlijke openbaring, naast de Openbaring zoals deze door de kerkelijke traditie en de Heilige Schrift is overgeleverd.

 

Een bevestiging van dit inzicht vond ik in de literatuur van verschillende christelijke mystici. Bijvoorbeeld in Die Gheestelike Brulocht van de 14e eeuwse Brusselse mysticus Jan van Ruusbroec, die een onderscheid maakte tussen middellijke spirituele ervaring, die een mens kan opdoen door zich in de bijbel en de traditie te verdiepen en door deelname aan de liturgie en de onmiddellijke spirituele ervaring, waarin een mens, wellicht een enkele keer in het leven, direct door God wordt geraakt als in een ogenblik, zoals Ruusbroeck dat poëtisch verwoordt: ende dit ghesciet in corter tijt dan in eenen oghenblicke, want gods werc es snel. [5] Binnen de protestantse theologie gold echter de waarschuwing van Emil Brunner zich niet met zulke zaken in te laten (zie cd-rom 3) Ik moest positie kiezen tussen het rijke veld van de spirituele ervaring dat mij in talloze ervaringen van mensen was ontsloten en de harde waarschuwing van gerenommeerde theologen als Brunner en ook Barth, die waarschuwden niet uit te glijden in een ondeugdelijke theologie. Daar kwam nog bij dat ik inmiddels besloten had in het kader van een dissertatie stevig studie te maken van deze ervaring, teneinde mijn positie ten aanzien van dit spirituele veld te kunnen bepalen. Dat leverde aanvankelijk een hevige botsing op met mijn eerste promotor, die mij uiteindelijk de deur wees, maar gelukkig tot een goed einde kwam bij mijn tweede promotor.

 

Twee facetten uit dit onderzoek [6] wil ik noemen en breng deze in verband met twee gebeurtenissen die zich toen voordeden. De eerste was het bezoek van twee kloosterzusters uit België. Eén van hen had een bijzondere droom gehad waarin het woord of symbool ‘wachter’ haar nog helder voor de geest stond. De beide zusters hadden het woord teruggevonden in het bijbelboek Ezechiël.[7] Ze hadden gehoord dat er een Nederlandse dominee was die studie had gemaakt van spirituele ervaring. In de ogen van katholieke zusters heeft een predikant veel inzicht in en kennis van de bijbel. De combinatie van bijbelkennis en kennis van spirituele ervaring, die zij bij mij hoopten te vinden, hadden hen tot een bezoek aan mij doen besluiten. Ik heb niets anders gedaan dan exegetische gedeelten uit Ezechiël, waarin het woord ‘wachter’ voorkomt, uitgelegd, gerelateerd aan haar ervaring. Een dergelijke situatie brengt je in de rol van mystagoog. De taak van de mystagogische pastor is, om als een soort vroedvrouw, te helpen bij de ontwikkeling van het verstaan van de specifieke symboliek, die aanwezig is in de persoonlijke spirituele ervaring. Daarbij probeert de pastor de specifieke symboliek in relatie te brengen tot datgene wat geloofstradities daarover kunnen aanreiken.

 

Dat brengt mij bij een tweede gebeurtenis. Een gemeentelid uit een naburig dorp zocht mij op. Zij zat met het volgende probleem. Enige tijd geleden had zij een risicovolle operatie ondergaan en had in het ziekenhuis een bijna-dood-ervaring gehad, die zij verwoordde als: ‘ik stond als Mozes en keek naar het beloofde land’. Over deze ervaring van groot geluk, zoals zij het noemde, heeft ze gedichten gemaakt. Weer genezen, heeft zij op een avond in een vergadering van de kerkenraad, waarvan zij scriba was, drie gedichten voorgelezen. Tot haar teleurstelling reageerde niemand daarop. Algauw kwamen wij in ons gesprek daarover tot de conclusie dat een kerkenraadsvergadering, hoe vertrouwd de leden ook met elkaar omgaan, zich meestal niet leent voor zoiets. Samen hebben wij gezocht naar een andere vorm. Deze werd gevonden in de toonzetting van enkele gedichten. Soms wordt een van haar liederen in de kerkdienst gezongen. De gemeente vindt het prachtige liederen en zij heeft het gevoel haar spirituele ervaring met de geloofsgemeenschap te kunnen delen. De publieke vorm moet de intimiteit van de ervaring beschermen en tegelijkertijd de ervaring toegankelijk maken voor velen.

 

Uit deze beide voorbeelden van mystagogische begeleiding kan een definitie van spiritualiteit worden afgeleid, zoals deze door de Joodse godsdienstfilosoof Leo Baeck is geformuleerd. Spiritualiteit is de  Erfahrung vom Geheimnis und …. Gebot.[8] Dat laatste kan enige bevreemding oproepen, maar hoort mijns inziens wezenlijk tot de Joodse en tot de christelijke spiritualiteit. In de symboliek van de persoonlijke ervaring beluisteren mensen een opdracht of een taak die verricht moet worden. ‘Ik ben tot wachter aangesteld’ hoorde ik de kloosterzuster zeggen. ‘Ik moet anderen toch iets van het beloofde land laten zien’ hoorde ik het gemeentelid uit het naburige dorp zeggen. Deze profetische kant van de ervaring oriënteert de ervaring op het geloof en niet primair op het mysterie. Vanwege dit aspect, dat ik leerde onderkennen in de ontmoeting met anderen, waarvan ik deze twee voorbeelden geef, kies ik mijn positie in het discours van geloof en mysterie, met een primaire oriëntatie op geloof in de betekenis van profetisch handelen. Volgens het schema kies ik dan voor de spirituele ervaring.

 

Aantekeningen



[1] Uit de verzameling spirituele ervaringen van de auteur.

[2] A. H. Maslow, Religious, values, and peak-experience, New York, 1972, 5e druk, in vertaling: Religie en topervaring, Rotterdam 1972.

[3] Dit is een bewerking van een lezing, gehouden op 7 maart 2002 in Lievelde op een oecumenische studiedag voor beroepskrachten in het pastoraat.

[4] A. A. van den Berg, Als mensen door God worden aangeraakt, een praktisch-theologische studie over integratie van religieuze ervaring in de kerkelijke gemeente, Hooglanderveen 1988.

[5] Jan van Ruusbroec Die chierheit der gheesteliker brulocht, Lannoo Tielt/Amsterdam 1977 p.162.

[6] A. A. van den Berg, a.w.

[7] Ezech. 3:16-21 en 33:1-20.

[8] Leo Baeck in Wege im Judentum, ‘Geheimnis und Gebot’ Schocken Verlag Berlijn 1933, p.31-48.



< Terug naar inhoudsopgave