Aanvullende artikelen


Deze artikelen zijn verdere verdiepende bijdragen, behorende bij het hoofdartikel ‘Historiciteit en Spiritualiteit’.




< Terug naar inhoudsopgave

Dag Hammarskjöld, een integrerende spiritualiteit in het domein van de politiek

 

Inhoud

 

1          Inleiding

2          De werkelijkheid is dialogisch

3          In het krachtenveld van wetenschap, geloof en mysterie

4          De keuze

5          De blik naar binnen gericht

6          Bekering

7          Het eigene en het universele

8          De Navolging

9          Innerlijke dialoog en internationale politiek

10        Meditatieruimte in het hart van de internationale politiek

11        In dienst van de vrede

Aantekeningen

 

1 Inleiding

 

Dag Hammarskjöld is met name bekend als de tweede Secretaris Generaal van de Verenigde Naties in 1953 – 1961 en als auteur van het spiritueel dagboek Merkstenen. Hammarskjöld had dit dagboek ongepubliceerd kunnen laten. Aanvankelijk was dat ook zijn opzet. Maar uiteindelijk besloot hij tot eventuele publicatie. Waarom? Er kunnen een aantal redenen gevonden worden. Vanwege zijn verschillende publieke functies realiseerde hij zich dat op den duur één of meerdere biografieën over zijn leven zouden verschijnen. In zijn publiek optreden had hij zich altijd zeer voorzichtig en terughoudend uitgelaten over zijn spiritualiteit. Zelf zag hij deze als een belangrijke bron voor zijn manier van leven en in zijn werk als econoom en politicus. Als deze onopgemerkt bleef in een biografie over hem, of te weinig aan bod zou komen, zou er een verkeerd beeld over zijn leven kunnen ontstaan. Daarom moesten biografen kunnen beschikken over de inhoud van zijn dagboek, omdat zoals hij zelf schreef: deze aantekeningen het enige juiste ‘profiel’ geven dat getekend kan worden.[1] Een andere reden staat in het dagboek zelf. Op 26 december 1956 schreef hij in verband met mogelijke lezers van zijn dagboek: Het kan toch voor de een of ander zin hebben om de weg van een leven te zien, waarover de levende zelf niet wilde spreken.[2] Het publieke ambt belemmerde hem zijn spiritualiteit volop te uiten. Spiritualiteit is een persoonsgebonden inspiratie, veelal ingebed in een bepaalde geloofstraditie. Iemand, die in het openbare domein een ambt bekleedt, zeker in de internationale politiek, kan niet anders dan de bron van zijn spiritualiteit verborgen houden vanwege de grote diversiteit aan bronnen van spiritualiteit. Hij realiseerde zich echter dat na zijn dood deze belemmering weg zou vallen. Daarom gaf hij postuum toestemming tot publicatie van zijn dagboek, dat hij opvatte als zijn geestelijk testament. Dat testament kon ander helpen op de eigen geestelijke levensweg. Daarom heeft het voor een ander zin om de weg van een leven te zien. Door het lezen van de geestelijke testamenten, met name van christelijke mystici als Thomas à Kempis en Meister Eckhart, had hij ervaren dat zulke geschriften onmisbare hulp waren bij het vinden van de eigen geestelijke levensweg. Zulke mystici waren voor hem, evenals de beschreven levensweg van Jezus in de bijbel, mystagogen, spirituele gidsen op de levensweg, die hem geholpen hadden zijn eigen levensweg te vinden. Wellicht uit dankbaarheid, wilde hij, met de publicatie van zijn dagboek als een spirituele interpretatie van zijn leven, op zijn beurt ook een spirituele gids zijn voor anderen. 

 

De inhoud van het dagboek van Hammarskjöld bestaat uit een selectie geestelijke momenten uit zijn leven. Hij zag ze als ze als merkstenen, zoals bergklimmers die neerleggen in het ruige bergland, om de weg te markeren. Zijn voorliefde voor het Zweedse hoogland en zijn vele alpinistische tochten gaven zijn spiritualiteit een moderne vorm, die hem de inspiratie gaven onder meer voor zijn politieke loopbaan. Tien van zulke momenten op zijn geestelijke en politieke levensweg zullen nu besproken worden. Wellicht kunnen zij ook functioneren als merkstenen op de levensweg van anderen.

 

2 De werkelijkheid is dialogisch

 

In een programma voor de Canadese radio in 1954 vermeldde Dag Hammarskjöld het een en ander over zijn jeugd.[3] Hij werd geboren op 29 juli 1905 te Jönköping in Zweden, als vierde zoon uit een oude adellijke Zweedse familie. Hij kreeg de namen Dag Hjalmar Agne Carl en was daarmee mede vernoemd naar zijn vader Hjalmar en zijn moeder Agnes. In zijn radiorede ging hij in op de uiteenlopende familieachtergronden van zijn vader en van zijn moeder. Tevens liet hij zien dat beiden hem onderscheiden zaken in het leven hadden meegegeven. Over zijn vader zei hij:

 

Van generaties van soldaten en regeringsambtenaren van vaderskant erfde ik de overtuiging dat niets méér voldoening kan schenken dan een leven van onbaatzuchtige dienstbaarheid aan je land – of aan de mensheid. Deze dienstbaarheid vereiste het offer van ieder persoonlijk belang, en tevens de moed onversaagd op te komen voor je overtuigingen.

 

Zijn vader was jurist. Hij had een afstandelijk karakter. Na een wetenschappelijke loopbaan ging hij in de politiek en in 1914 werd hij minister-president in Zweden. In 1917 moest hij om politieke druk, gepaard gaande met vele verdachtmakingen, aftreden. Hij had in deze periode van  de Eerste Wereldoorlog het internationale recht laten prevaleren boven het nationaal belang van Zweden.[4] Zijn vader had een sterk geloof in de mogelijkheid van een internationale rechtsorde.[5] Na zijn aftreden stond hij bekend als een gehaat politicus. Dit moet op de jonge Dag, die toen 12 jaar oud was, een diepe indruk hebben achtergelaten. Aan het optreden van zijn vader zag hij wat onbaatzuchtige dienstbaarheid, waarin het persoonlijk belang werd opgeofferd, kon betekenen. In huis hoorde hij praten over nationalisme en internationalisme, twee zaken die elkaar kennelijk niet verdroegen en hevige emoties opriepen. Dit conflict bleef Dag zijn geheel leven bij en hij werd er telkens mee geconfronteerd. Na het politieke debacle werd zijn vader gouverneur van de provincie Uppsala. Vanaf dat moment groeide Dag op in de ambtswoning van de gouverneur, het kasteel in Uppsala.

 

In tegenstelling tot zijn vader was zijn moeder Agnes Almquist een warme en uitbundige persoonlijkheid. Zijn vader was op formalistische wijze Luthers, maar zijn moeder was gelovig van binnen uit. Over zijn moeder zegt hij in zijn radiorede:

 

Van wetenschappers en geestelijken van moederskant erfde ik een overtuiging dat in de zeer radicale zin van het evangelie alle mensen gelijk waren als kinderen van God, en door ons tegemoet getreden en behandeld moesten worden als onze meesters in God.

 

Zij was een vrome vrouw, die dagelijks naar de kerk ging. Aan haar zag de jonge Dag wat geloof kon betekenen. Het evangelische geloof dat alle mensen voor God gelijk zijn heeft in het leven van Dag diep wortel geschoten en ook mede zijn latere politieke inzichten bepaald. Dag werd geboren toen zijn moeder 40 jaar oud was. Na drie zonen had zij gehoopt op een dochter, maar het werd een zoon. Zij kleedde hem nogal meisjesachtig, zoals op een foto, genomen toen Dag ruim twee jaar oud was, te zien is. Het werd haar troetelkind en er ontstond een nauwe band tussen moeder en zoon.[6] Zijn latere ongehuwd blijven heeft tot speculaties geleid over vermeende homoseksuele geaardheid, waarvoor echter geen bewijzen gevonden zijn. 

 

Binnen het gezin Hammarskjöld werd geleefd vanuit waarden, die soms gelijkgestemd waren, maar soms ook tegengesteld, zoals: plicht, afstandelijkheid, nabije warmte en liefde, internationale idealen, formalistisch geloof, vroomheid, conflicten en ‘alle mensen zijn gelijk’, het mannelijke en vrouwelijke. Het gezinsleven biedt een milieu van meerstemmigheid, waarin de jonge mens zijn weg begint te zoeken naar volwassenheid. Elk mens ervaart vanaf de geboorte al deze meerstemmigheid van een vader en een moeder, met daarbij een groeiend aantal anderen, zoals broers en zusters, grootouders en verdere familieleden, vriendjes en vriendinnetjes, leraren en talloze anderen. En elk mens legt weer andere accenten in de normen en waarden waarmee de jonge mens geconfronteerd wordt. Daarmee ontstaat een context van vraag en antwoord, van horen en spreken en wordt al vanaf het prille begin de dialoog met anderen geleerd. Deze dialogische structuur maakt geestelijke groei en rijping mogelijk. De dialogische context traint als het ware de jonge mens in onderscheidingsvermogen.[7] De werkelijkheid waarin mensen opgroeien draagt een dialogisch karakter. De meest eenvoudige vorm daarvan is de dualiteit, het hebben van een vader en een moeder en daarmee het meekrijgen van verschillende waarden: van vaderskant en van moederskant, zoals Dag Hammarskjöld het dialogische karakter van het gezin waarin hij opgroeide in zijn radiorede typeerde. De mens komt voort uit tweeheid en groeit op in dialoog. Meerstemmigheid is het levensuitgangspunt. De tegenstrijdigheden in het leven brengen onrust in het leven, maar stimuleert daardoor het zoeken naar eigen eenheid in het leven. Sommigen proberen deze eenheid te bereiken door te breken met de waarden van het voorgeslacht. Dag Hammarskjöld koos voor een andere weg: hij integreerde ze. In zijn radiorede zei hij daarover:

 

            De wereld waarin ik opgroeide, werd beheerst door principes en idealen uit een voor ons verre tijd, en, naar het schijnt, ver verwijderd van de problemen waarmee een mens geconfronteerd wordt in het midden van de twintigste eeuw. Mijn weg betekende evenwel geen breuk met deze idealen. Integendeel, ik ben gaan begrijpen dat ze ook geldigheid bezitten in onze wereld van tegenwoordig. Ik wilde oprecht en ronduit een persoonlijk geloof opbouwen in het licht van de ervaring en van eerlijk nadenken. Deze inspanning, die ik nooit opgaf, heeft me teruggebracht bij mijn uitgangspunt. Nu erken en onderschrijf ik onvoorwaardelijk dezelfde overtuigingen die eens aan me waren overgeleverd.

 

Hammarskjöld bleef zijn leven lang in gesprek met zijn ouders, met de door hen overgeleverde principes en idealen. Het was een dialoog met de traditie, een traditie waartoe ook het christelijk geloof behoorde. Sommige overgeleverde opvattingen kon hij niet aanvaarden, zoals geloven als een aannemen van waarheid en het geloof in een God, die opvoedt door mensen te laten lijden.[8] Hij ergerde zich aan uitingen van zelfgenoegzaamheid van geloof, die hij erger vond dan die van de intelligentie.[9] Maar andere opvattingen van het christelijk geloof maakte hij zich in de loop der tijd van binnenuit eigen. Zijn geloof in God werd gevoed door christelijke mystiek. Vier keer in zijn dagboek citeerde hij een tekst van Johannes van het Kruis: Geloof is Gods vereniging met de ziel.[10] God was voor hem Degene, die hij in zijn innerlijk ontmoette en een steeds grotere plaats gaf, zoals in 1957, toen hij schreef: niet ik, maar God in mij. [11] Uit de geloofstraditie aanvaardde hij en doorleefde zelf dat God spreekt en handelt.[12] Tegenover de mens zag hij God als schepper, liefdevol, maar ook de mens tot verantwoording roepend.[13] God gebruikt de mens voor een inzet.[14] Tevens nam hij uit de geloofstraditie het gebruik over van de bijbel. Regelmatig citeerde hij bijbelteksten in zijn dagboek, met name uit het boek der psalmen en uit de evangeliën.[15] Het christelijk gebed: het ‘Onze Vader’, zal hij in zijn jeugd wel uit het hoofd hebben geleerd. Op verschillende plaatsen in zijn dagboek haalde hij dat gebed aan en gaf er commentaar bij, met name bij de eerste drie beden: de heiliging van de Naam, de komst van het rijk en ‘Uw wil geschiede’.[16] Het voortdurend in gesprek blijven met de christelijke geloofstraditie blijkt ook uit zijn gewoonte om op christelijke feestdagen, zoals kerstmis, Pasen en Pinksteren zijn dagboek bij te werken. Kennelijk brachten deze door het kerkelijk jaar bepaalde perioden in zijn leven hem er toe extra aandacht aan zijn spiritualiteit te geven. Gedurende vier jaren, van 1951 tot en met 1954 opende hij het nieuwe jaar in zijn dagboek met de eerste regels van een hymne van de dichter bisschop Franzén Weldra komt de nacht, een hymne die zijn moeder op elke oudejaarsavond voorlas.[17] Tenslotte sprak, in de hem overgeleverde traditie, de figuur van Jezus Christus hem aan. In de levensweg van Jezus zag hij zijn eigen levensweg. (Zie daarover verder 8 ‘De Navolging’.)

 

De dialogische inspanning met de traditie bracht hem uiteindelijk terug, zoals hij in zijn radiorede in 1954 uitsprak, bij de overtuigingen die eens aan hem waren overgeleverd. De dialoog was voor hem een belangrijk middel voor geestelijke groei. Het was één van de merktekens op zijn levenspad, waardoor hij zich liet leiden. Dit merkteken zag hij het beste verwoord in de geschriften van de Joodse filosoof Martin Buber, met name in zijn uitgave van Ich un Du.[18] Buber nam daarin stelling tegenover het tot object maken in een ik – het relatie. In deze relatie is geen dialoog en waar geen dialoog is houdt de geestelijke groei en ontwikkeling op. Daartegenover stelde  Buber de ik – jij relatie, als een ontmoeting tussen twee subjecten. Deze beschreef hij als de uitdrukking van de totale werkelijkheid. Deze opvatting van dialoog van Buber kwam overeen met de visie op dialoog van Hammarkjöld. In zijn aanbeveling bij de voordracht van Buber voor de Nobelprijs voor literatuur schreef hij:

 

Buber maakt onderscheid tussen twee soorten relaties tot de werkelijkheid ’ik-het’ en ‘ik-jij’. De eerste relatie is die tussen subject en object, de andere relatie tussen twee met elkaar communicerende subjecten. De ‘ik-jij’ relatie is voor hem het beslissende werkelijkheidscontact. Het duidt de relatie tot het goddelijke, tot de mensheid, maar ook tot de materiële werkelijkheid aan. De dialoog wordt daarom de belangrijkste van alle geestelijke levensvormen en wordt in het leven van de mens en van de cultuur bepaald door het vermogen tot een zodanige dialoog in contact met de werkelijkheid.[19]

 

Zowel voor Buber als voor Hammarskjöld was de werkelijkheid waarin wij leven dialogisch. In gesprek zijn met de ander, maar ook met de dingen, met de traditie, met de natuur en met God was voor hen het grondpatroon waarop het spirituele en het politieke leven zich konden ontwikkelen.

 

3 In het krachtenveld van wetenschap, geloof en mysterie

 

In 1924 ging Dag rechten en politieke economie studeren aan de universiteit van Uppsala. Hij beschikte over een meer dan gewoon intellect, bovendien was hij thuis opgevoed tot plichtsbetrachting, waardoor de studie moeiteloos verliep. Een foto uit die tijd toont hem in het uniform van de universiteit. Tijdens zijn studie verdiepte hij zich ook nog in sociale wijsbegeerte en literatuurwetenschap. Evenals zijn vader had hij een hartstocht voor het woord, de taal en de literatuur. Het wetenschappelijk klimaat aan de universiteit werd beheerst door de ratio en de voorkeur voor analytische methoden. In dit milieu bestond er vrijwel geen ruimte voor godsdienst. Velen binnen de universiteit toonde zich zelfs vijandig tegenover het christelijk geloofsgoed.[20] Met zijn koele, accurate en zakelijk rationele instelling wist Dag zich uitstekend aan te passen aan dit intellectuele milieu. Maar deze streng rationele cultuur met zijn afwijzing van godsdienst stond haaks op de ervaringen, die hij thuis met het geloof had opgedaan. Het moet een ervaring van vervreemding zijn geweest, een ervaring die gevoed werd door het leven in twee ver van elkaar afstaande werelden, die van de universiteit en die van thuis. Deze vervreemding bracht het thema van de eenzaamheid in zijn leven, een thema dat  regelmatig in zijn dagboek voorkomt. Hij kon deze werelden niet bij elkaar brengen. Zijn van huis uit meegekregen geloof, kwam onder druk te staan, hoewel er ook tegendruk kwam in de vorm van kerkelijke opleving. In zijn tweede studiejaar, in 1925, nam hij als steward deel aan één van de funderende conferenties van de Wereldraad van Kerken, de Life and Workconferentie in Stockholm, waar 600 afgevaardigden uit 37 landen bijeen kwamen. Nathan Söderblom, de Zweedse aartsbisschop en een goede kennis van de familie Hammarskjöld, was de  initiatiefnemer. Op de conferentie werden vooral de sociale en internationale verhoudingen in de wereld besproken, thema’s die later in het leven van Dag Hammarskjöld een grote rol gingen spelen. De wetenschap, zoals hij deze leerde kennen aan de universiteit in Uppsala, en de kerk in actie, zoals op de conferentie in Stockholm, waar hij bij betrokken was, gaven vorm aan zijn culturele bagage. Maar geloof en wetenschap bleven voor hem gescheiden werelden.

Aan deze dualiteit van wetenschap en geloof werd nog een derde werkelijkheid toegevoegd. Deze leerde hij kennen, ver van huis en van het kerkelijk gebeuren en ver van de universiteit, in het hoge noorden van Zweden. In poëtische taal beschreef hij een ervaring, die hem overkwam op een van zijn eenzame bergtochten in 1951 in Noord Zweden.

 

Maartzon. In de dunne schaduw, die de tengere berkenboom op de sneeuwkorst werpt, kristalliseert de bevroren stilte van de lucht. Dan – plotseling – de tastende lokroep van de merel, een werkelijkheid buiten je eigen werkelijkheid, het werkelijke. Plotseling: het paradijs, waar we door onze kennis buitengesloten zijn.[21]

 

Hij noemde deze werkelijkheid, het werkelijke. Elke benoeming van deze werkelijkheid is echter een metafoor. In zijn spirituele ervaring gebruikte hij voor deze werkelijkheid het beeld van  het paradijs.[22] Voor hem was deze ervaring, samen met andere ervaringen van gelijke strekking in de Zweedse bergen, fundamenteel. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn revisie van zijn dagboek. Eind 1956, of begin 1957 schrapte hij aantekeningen en ordende zijn aantekeningen opnieuw, onder het motto van de Zweedse dichter Bertil Malmberg, alleen de hand die doorstreept kan waarheid schrijven.[23] Kennelijk wilde hij met zijn herziening de waarheid van zijn spiritualiteit zo zuiver mogelijk weergeven. Die waarheid blijkt zijn spirituele ervaring te zijn.[24] Want zijn dagboek laat hij beginnen met beelden, ontleend aan deze ervaring. Aan het begin van zijn dagboek staan deze als  een soort beginselverklaring. Het is een dichterlijke tekst die hij, toen hij twintig jaar was, had opgeschreven.

 

Verder word ik gedreven,

een onbekend land in.

De grond wordt harder,

de lucht prikkelender, kouder.

Aangeraakt door de wind

vanuit mijn onbekende einder

trillen de snaren

in afwachting.

 

Aldoor vragend

zal ik aankomen,

daar waar het leven wegklinkt –

een klare zuivere toon

in de stilte.[25]

 

Zijn dagboek beslaat een periode van 36 jaar. Een aantal aantekeningen uit verschillende jaren bevatten een spirituele ervaring, maar altijd refererend aan dezelfde plaats: de bergen in het noorden van Zweden. Daar was hij aangeraakt door het mysterie, in zijn openingsgedicht genoemd: mijn onbekende einder. Als een rode draad, maar verborgen voor anderen, bleef deze aanraking door zijn leven lopen. Een enkele keer werd deze door hem ervaren werkelijkheid voor anderen even zichtbaar, zoals in zijn radiorede in 1954, versluiert in verschillende toespraken en in de installatie van een stiltecentrum in het gebouw van de Verenigde Naties in New York in 1957. Pas na zijn dood werd met de publicatie van Merkstenen duidelijk hoezeer hij zijn leven had laten bepalen door zijn spirituele waarheid, waarvan de bron lag in het bergland van Noord Zweden. 

 

Vanuit zijn spirituele ervaring in de bergen zocht hij de dialoog met geloof en wetenschap, de verbinding tussen inzicht, geloof en mysterie. In 1941 vond hij deze dialogische relatie op de volgende wijze, waarin hij tevens elke vorm van fundamentalistisch geloof als het aannemen van waarheid, afwees. In deze tekst uit zijn dagboek beschrijft hij zijn spirituele ervaring met de metafoor van het vliedende licht in ons innerlijk. Volgens Hammarskjöld ontstaat pas begrip voor geloof als wij onze spirituele ervaring ‘achtervolgen’.

 

De weg naar inzicht gaat niet via geloof. Eerst door het inzicht, dat we verwerven in het achtervolgen van het vliedende licht in ons innerlijk, bereiken we een punt waarop we begrijpen wat geloof is. Hoevelen zijn niet de duisternis ingedreven door het lege gepraat over geloven als een aannemen van waarheid?[26]

 

Maar vanuit welke positie kon hij inzicht, geloof en het vliedende licht in ons innerlijk, zoals hij het mysterie omschrijft, benaderen? Welke van de drie moest de voorrang krijgen?

 

4 De keuze

 

Het krachtenveld van wetenschap, geloof en mysterie stelde hem voor de prangende vraag van de keuze. Wat moest hij laten prevaleren in zijn leven? Moest hij kiezen voor de omgang met het mysterie, zoals hij dat had leren kennen in het bergland, of voor trouw aan de hem overgeleverde godsdienstige overtuigingen, of voor een carrière in de wereld van de wetenschap en een maatschappelijk loopbaan? Waaraan moest hij prioriteit geven? Hoe moest hij zich in dat veld positioneren? De geldigheid van de overtuigingen, waar hij bij was opgevoed, werden in het intellectuele milieu van de universiteit, waarin hij verkeerde, bestreden.[27] Een maatschappelijke loopbaan kon de omgang met het vliedende licht in het innerlijk onder druk zetten, omdat acceptatie betekende voldoen aan de eisen die anderen stelden. Daar was aan te ontkomen als hij de veilige situatie van de sociale aanvaarding wist te verlaten.[28] Wat je moet durven, zo noteerde hij in de periode 1925 – 1930 in zijn dagboek is: jezelf te zijn.[29] Dat jezelf zijn bleek echter geen veilig rustpunt, maar eveneens een krachtenveld, dat hij in scherpe zelfobservaties ontleedde. Deze zelfanalyse gaf uitdrukking aan innerlijke tegenstrijdigheden, onvrede met zichzelf en grote ambities.[30]

 

In 1945 brengt hij het dilemma van de keuze als volgt in zijn dagboek onder woorden.

 

Ieder ogenblik kies je je eigen ik. Maar kies je – jezelf? Lichaam en ziel hebben duizend mogelijkheden, waaruit je vele ego’s kunt opbouwen. Maar slechts een van deze geeft congruentie tussen de kiezer en het gekozene. Slechts een – die je pas dan vindt, als je alle kans op iets anders uitschakelt waar je nieuwsgierig naar tast, verlokt door verwondering en begeerte, te oppervlakkig en te vluchtig om vast verankerd te blijven in de beleving van het hoge mysterie dat leven heet – te oppervlakkig ook om voortdurend het besef te bewaren van het toevertrouwde talent dat ‘ik’ heet.[31]

 

Inmiddels had hij op dat moment als veertigjarige al een maatschappelijke carrière achter de rug. In 1930 begon hij in Stockholm aan zijn eerste baan als secretaris van een werkloosheidscommissie. Tijdens deze werkkring rondde hij zijn studies af met een promotieonderzoek over conjunctuurspreiding. In 1935 werd hij secretaris van de Nationale Bank van Zweden en combineerde deze functie met ondersecretaris bij het ministerie van Financiën. In 1936 werd hij staatssecretaris van Financiën in een socialistische regering. Samen met Ernst Wiggfors werd hij de grondlegger van de Zweedse geleide economie. Zijn broer Bo was in diezelfde periode staatssecretaris voor Sociale Zaken. In 1941 maakte hij ook carrière in zijn andere baan doordat hij president werd van de nationale Bank tot 1948. Vanaf 1947 is hij adviseur van de ministerraad voor financiële en economische kwesties en in 1949 secretaris-generaal op het ministerie van Buitenlandse Zaken.

 

5 De blik naar binnen gericht

 

De langste reis

is de reis naar binnen.

Wie zijn lot gekozen heeft,

de tocht begonnen is

naar zijn eigen bodem

(is er een bodem?)

nog midden onder u

staat hij al buiten het leven,

geïsoleerd in uw gevoel

als de terdoodveroordeelde

of zoals hij,

dien het naderend afscheid

tevoren reeds toewijdt

aan de uiteindelijke eenzaamheid

van ieder mens.[32]

 

Deze notitie in zijn dagboek is uit 1950. Het klinkt als een besluit, als een koersverandering in zijn leven. Naar zichzelf kijkend zag hij een maatschappelijk geslaagd man. Maar deze vorm van succes bevredigde hem niet meer volledig. Hij had gehoor gegeven aan de normale gang van zaken in de samenleving en een maatschappelijke carrière opgebouwd. Maar de overgeleverde overtuigingen van zijn voorgeslacht, met de daarin vervatte godsdienstige traditie en de ontmoeting met een andere werkelijkheid in het Zweedse bergland, lieten hem niet met rust. Om zich heenkijkend voelde hij zich ook tekort geschoten in zijn menselijke relaties. Zijn vrienden waren getrouwd en hadden kinderen. Hij niet. Hij voelde zich onaf, onrijp en eenzaam. Toen nam hij het besluit zich niet langer te vergelijken met anderen, maar op verkenning te gaan in zijn eigen innerlijk, op zoek niet naar maatschappelijk succes, of sociale volwassenheid, maar geestelijke rijpheid. In dit jaar 1950 valt voor het eerst in zijn dagboek het begrip geestelijke rijpheid te lezen, een begrip dat in het vervolg van zijn leven een sleutelrol ging spelen.[33] Het zoeken naar geestelijke rijpheid werd een grondhouding voor hem. Deze zoektocht, beeldend weergegeven als een lange reis naar binnen, typeerde hij als zijn innerlijke dialoog. Vanaf dat moment werd zijn dagboek jaarlijks bijgehouden, als een soort reisverslag van zijn innerlijke pelgrimage.

 

6 Bekering

 

Beginpunt en uitgangspunt van deze geestelijke zoektocht lag in het Zweedse bergland, in de ontmoeting met, zoals hij dat in zijn spirituele ervaring van 1951 beschreef, het werkelijke.[34] Die ontmoeting had hij niet gezocht, maar overkwam hem als een initiatief van een ander, een ander uit onbekende herkomst.[35] Deze ander correspondeerde met zijn diepste innerlijk, maar viel daar niet mee samen. De ander kwam uit een werkelijkheid buiten de eigen werkelijkheid.[36] Het was een aanraking van buitenaf. Deze ander begon richting aan zijn leven te geven, ook in de plichten van zijn alledaagse handelen.[37] Het was een richting geven vanuit een werkelijkheid waar hij geen greep op had, een werkelijkheid zonder houvast, die lijkt op de droomwereld.[38] Kort daarna werd deze ontmoeting verdiept in drie dromen. In zijn dagboek leidde hij de beschrijving van deze drie dromen als volgt in:

 

Waar loopt de grens? Waar komen we terecht, in deze dromen van verzadigde schoonheid, zwaar van betekenis, zonder vatbare inhoud, veel dieper in het gemoed geëtst dan het oog kan waarnemen? Goed – zonder schrik, zonder angst. De herinnering aan de werkelijkheid der lichamen, waar blijft die? Terwijl het beeld van deze droomwereld niet vervaagt. Het leeft – als de herinnering aan een herinnering. Zo de droom over de vogels. Zo ook de dromen over de ochtend en de nacht.[39]

 

Deze dromen waren voor hem zwaar van betekenis, maar niet uit te leggen, want ze waren zonder vatbare inhoud. De droom over de vogels schreef hij op de volgende wijze op in zijn dagboek.

 

Vermoeide vogels, vermoeide grote vogels rusten in de machtige wand van het hoogland tegenover het donkere water, wachtend op de nacht. Vermoeide vogels wenden hun hoofd naar de brand in het westen. Het vuur wordt bloed, het bloed vermengt zich met roet.- Zien over het water, naar het westen toe, omhoog naar de eindeloze welving van de steile helling. Stil -. Leven met de intrede van deze grote verre wereld in de nacht. Gezegd, ongezegd klinken de enige woorden weg (mijn woorden, zijn woorden?): Nu is het voor ons te donker geworden de weg terug te vinden.[40]

 

Het was als het ware een herhaling van zijn spirituele ervaring, maar dan in de vorm van een droom. De beelden van het bergland, waar hij deze andere werkelijkheid ontmoette, stonden hem weer levendig voor de geest. Eerst was hij toeschouwer. Hij zag vermoeide grote vogels. Maar toen werd hij deelnemer aan deze vreemde wereld: Leven met de intrede van deze grote verre wereld in de nacht, een werkelijkheid waarin gesproken werd van de een tot de ander: mijn woorden, zijn woorden? Uit deze wereld kan hij zich niet meer losmaken, er is geen weg terug: Nu is het voor ons te donker geworden de weg terug te vinden. Dan volgt in zijn dagboek de tweede droom.

 

Nacht. Voor mij loopt de weg – voorbij. Achter mij de boog van het pad, naar boven naar het huis, als een schemering in duisternis onder de zware bomen van het park. Weet dat mensen daarbuiten voorbijgaan, gehuld in de duisternis. Weet dat het leven om me heen trilt, verborgen in de nacht. Weet dat iets op mij wacht in het huis. Uit de duisternis van het park een eenzame vogelroep: en ik ga erheen.[41]

 

Hij was nu in het donker gekomen, waar niets te grijpen, te begrijpen of te beïnvloeden viel. Hier eindigde het bekende. Hij kon zich nu alleen maar openstellen voor het totaal andere.[42] En dat andere bleek het gewone leven te zijn van mensen, die voorbijgaan, een huis, bomen in een park. Weer was hij toeschouwer, maar een eenzame vogelroep lokte hem deelnemer te worden: ik ga erheen. Hij werd uitgenodigd zich opnieuw met de alledaagse werkelijkheid bezig te houden, maar nu op initiatief van een ander, die hij ontmoet had in het bergland. Volgens Bouman betekende dit een omkering in zijn leven en volgens Arts zelfs een bekering.[43] De nacht was voorbij, het licht brak door. In zijn derde droom verwoordde hij dit doorbrekende licht als volgt.

 

Licht zonder bron, het bleke goud van een nieuwe dag. Zijdeachtig grijze zachte bladeren aan lage struiken, zilver van dauw. De koele roodheid van de rozenkransbloem, bloeiend over de heuvels. Het blauw van de horizon. – Uit het lovergewelf van het beekravijn treed ik te voorschijn op de wijde helling. Druppels glinsterend op mijn handen, het voorhoofd koel door de waterspatten van neerbuigende takken, vervliegend in de zoele morgenwind.[44]

 

Hij trad als het ware zijn nieuwe werkelijkheid binnen, de werkelijkheid van het  morgenlandschap. Komende uit het schaduwrijke gewelf van het beekravijn trad hij te voorschijn in de werkelijkheid van het morgenlicht. Hij was opgestaan als een nieuw mens. Vooral in deze derde droom kwam een intense werkelijkheidsbeleving naar voren.

 

In zijn spirituele ervaring en in zijn drie dromen was er iets met hem gebeurd, iets beslissends. Hij was zijn vrees kwijt geraakt. Hij had een spirituele openheid gekregen voor het onbekende.

 

Nu. De vrees overwonnen – vrees voor de anderen, voor mezelf, voor de duisternis daaronder:

Aan de grens van het ongehoorde.

Hier eindigt het bekende. Van de overzijde vervult een geheime kracht mij met de mogelijkheid van haar oorsprong. Hier wordt verlangen gelouterd tot openheid: iedere daad voorbereiding, iedere keuze een ja aan het onbekende.[45]

 

Het verlies aan vrees voor zichzelf en voor de ander en zijn gekregen open gerichtheid, betekende tevens een nieuwe vrijheid in de ontmoeting met anderen in zijn leven en in het dagelijks werk. Tot dan had hij moeite gehad zich op het persoonlijk vlak met anderen te begeven. Het aangesproken worden door de ander uit het ongehoorde en onbekende opende voor hem te mogelijkheid voor een nieuwe openheid naar de mensen toe waarmee hij in zijn leven en werken te maken had. In dit beslissende jaar van zijn spirituele ervaring en dromen was hij minister zonder portefeuille geworden, ter assistentie van de minister van Buitenlandse Zaken. Hij behartigde de buitenlandse economische betrekkingen. Hij was vanaf dit jaar geheel en al betrokken bij de internationale politiek. Daarin toonde hij een grote bekwaamheid in het leiden van onderhandelingen. Zijn vaardigheid in onderhandelen werd gevoed door zijn in het bergland van Zweden opgedane spiritualiteit.

 

7 Het eigene en het universele

 

Door de ontmoeting met de mysterievolle ander, wist hij dat die ander ook wat van hem vroeg en verlangde. Maar wat? Met die vraag worstelde hij twee jaren. In 1953 wist hij echter zijn individuele ervaring volledig te koppelen aan zijn maatschappelijk leven, vooral toen hij gekozen werd tot Secretaris Generaal van de Verenigde Naties. Toen wist hij waarvoor de ander hem geroepen had, waarvoor hij wilde leven en waarvoor hij wilde sterven.[46] Toen werd zijn persoonlijke spirituele werkelijkheid op indrukwekkende wijze verbonden met het grote geheel van een historisch maatschappelijke werkelijkheid.[47] Het was een verbinding van het persoonlijk eigene met het universele.

 

Hammarskjöld was in 1952 voorzitter geworden van de Zweedse delegatie naar de zevende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York. De Veiligheidsraad van de VN kwam op 31 maart 1953 met een voorstel hem te benoemen tot secretaris-generaal van deze internationale organisatie. Vanwege de hoog opgelopen conflicten door de Koude Oorlog was er behoefte aan iemand uit een klein en neutraal land. Op 7 april werd hij gekozen en op 10 april aanvaardde hij deze benoeming. Hij was de tweede secretaris van deze kort na de Tweede Wereldoorlog opgerichte organisatie, ter voorkoming van een derde wereldoorlog. Thema’s waar de VN zich mee bezig hield waren onder meer: de naoorlogse wederopbouw, de Koude Oorlog en het proces van dekolonisatie. Doel en inhoud van de organisatie waren beschreven in een handvest. Het moet voor Hammarskjöld een bijzondere vreugde zijn geweest te ervaren dat zijn eigen persoonlijke inzichten en zijn spiritualiteit terug te vinden waren in de tekst van dit handvest. De tekst ademde de geest van de bewustwording van het eigene tegen de achtergrond van de vele stemmen in de wereld en de daarop afgestemde uitwisseling van dat eigene met anderen.[48] Het handvest verwoordde door hem beaamde idealen als: vrede en vrijheid voor alle mensen, in een wereld met gelijke rechten voor allen. Hij zag het als zijn taak deze idealen uit te dragen. Dat deed hij door op welhaast mystagogische wijze in redevoeringen en onderhandelingen te demonstreren wat deze idealen waard waren in de hoop dat anderen deze idealen ook zouden herkennen en aanvaarden. Grote nadruk legde hij op het belang van het individu in relatie tot het wereldgeheel. De relatie van het eigene en het universele was voor hem geen abstract concept, maar levende werkelijkheid geworden, dat het beste omschreven kon worden met de term: wereldburgerschap.

 

In zijn verkiezing tot secretaris generaal van de VN, de daaraan verbonden concrete opdracht en taak, het samenvallen van zijn idealen met die van het handvest en het samenkomen van doorleefde spiritualiteit met politiek handelen, had hij uiteindelijk zijn levensweg gevonden. Hij was tot eenheid gekomen. Zijn leven was tot eenvoud uitgegroeid.[49] In een dergelijke situatie ligt de geestelijke hoogmoed op de loer. Hij wapende zich daartegen met een citaat uit de Navolging van Christus, van Thomas à Kempis, op de dag van zijn verkiezing of kort daarna in zijn dagboek opgeschreven.

 

Hun steun en bevestiging is in God; daarom kunnen zij op geen enkele wijze nog hoogmoedig zijn. En wie alles wat zij aan goeds ontvangen hebben aan God toeschrijven, zoeken geen eer van elkaar te ontvangen, maar willen slechts de eer die God hen geeft’.[50]

 

Hij voegde daar aan toe: Ik ben het vat. De drank is van God. En God de dorstende.[51]

 

8 De Navolging

 

Hammarskjöld voelde zich geroepen tot het hoge ambt van Secretaris - Generaal van de VN. Hij aanvaardde dit ambt niet als een bekroning op zijn carrière of als een logisch gevolg van zijn politieke loopbaan, maar als een lot. In zijn ontmoeting met het mysterie in het bergland van Zweden was dat lot bepaald. Hij had dat kunnen weigeren, maar hij zei ja. Vier jaar na zijn verkiezing schreef hij daarover in zijn dagboek: Ja tegen God; ja tegen het lot en ja tegen jezelf.[52] En enkele maanden voor zijn dood: eens zei ik ja, tegen iemand – of iets.[53] Dat lot zag hij niet als een noodlot, maar als een levensweg verbonden aan die van Jezus Christus. ‘Uw heilig leven is onze weg’, citeerde hij Thomas à Kempis in 1956.[54] Daarmee verbond hij zijn spirituele ervaring met het christelijk geloof. Gebeurtenissen in de politiek, waar hij zelf nauw bij betrokken was, herkende hij in het leven van Jezus. Zo had hij bij zijn vader al ervaren dat waardering in de politiek snel kon omslaan in afwijzing en vernedering. In de week van zijn verkiezing tot Secretaris – Generaal schreef hij in zijn dagboek:

 

Dat de weg van de roeping eindigt op het kruis weet ieder die zijn lot op zich genomen heeft – ook al leidt het hem door het gejuich rond Genesareth of door de triomfpoort van Jeruzalem.[55]

 

Hij maakte zich geen illusies over het politieke bedrijf, maar aanvaardde de consequenties, vanuit zijn geloof in de navolging van Jezus Christus. In Jezus herkende hij zijn eigen levensweg. Hij beschreef hem als een man, hard in zijn zelfovergave, eenzaam tegenover het lot dat hem wachtte, omdat ook zijn naaste vrienden niet begrepen waarom hij moest handelen zoals hij deed. In Jezus herkende hij zichzelf als iemand die uit een verlaten en ruig landschap, bij hem de Zweedse bergen, bij Jezus de woestijn, terugkeerde onder de mensen met een opdracht. En deze opdracht vergde een totale inzet.[56] In Jezus herkende hij de weg van een vredesapostel, die uiteindelijk werd opgeofferd, maar de hoop op vrede, niet heeft doen ophouden.[57] In Jezus herkende hij een geloof dat door andere mensen niet bekrachtigd behoefde te worden, een geloof dat een nieuwe weg voor mensen baande, ook in de politiek.[58] In de houding van Jezus tegenover anderen, vond hij zijn eigen houding.

 

Jezus ‘gebrek aan houding’: Hij zat aan tafel met tollenaars en zondaars, Hij ging om met hoeren. Deed Hij dat om tenminste hun stemmen te winnen? Dacht Hij misschien door een dergelijk ‘appeasement’ te kunnen bekeren? Of was het, omdat zijn menselijkheid diep en rijk genoeg was om ook in hen het gemeenschappelijke te vinden, het onverwoestbare waarop de toekomst gebouwd moet worden? [59]

 

In toenemende mate had hij ervaren dat zijn eigen gang door het leven steeds meer ging lijken op die van Jezus, zozeer dat ze welhaast samenvielen in een diepdoorleefde verbondenheid, zoals blijkt uit de dagboekaantekening van 3 december 1960.

 

De weg,

je zult hem volgen.

 

Het geluk,

je zult het vergeten.

 

De kelk,

je zult hem ledigen.

 

De smart,

je zult haar verbergen.

 

Het antwoord,

je zult het leren.

 

Het einde,

je zult het dragen. [60]

 

9 Innerlijke dialoog en internationale politiek

 

In de politiek kon hij zijn spirituele ervaring en zijn geloof niet direct ter sprake brengen. De publieke functie van secretaris-generaal van de VN verhinderde dat. Deze wereldorganisatie moest rekening houden met alle volkeren en culturen en kon geen particuliere spiritualiteit en één godsdienst bevoorrechten boven anderen. Toch noemde hij in een toespraak op 20 augustus 1954 de VN een instrument van geloof. De Verenigde Naties staat buiten – noodzakelijk buiten – alle geloven, maar is niettemin een instrument van geloof. In die hoedanigheid wordt zij geïnspireerd door wat de grote religies van de wereld verenigt en niet door wat hen scheidt.[61] In de godsdiensten vond hij idealen, zoals het streven naar vrede op aarde, die overeen kwamen met de idealen van de VN.[62] In een toespraak van 14 juni 1955, ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de VN, verdedigde hij het ideaal van internationale dienstbaarheid.[63] Velen waren overtuigd dat dit in een hevig verdeelde wereld onmogelijk was. Want iemand die zich inzet voor internationale politiek moet het eigene, particuliere en nationale opofferen. In zijn spirituele ervaring had Hammarskjöld nu juist gevonden dat trouw zijn aan jezelf en aan je familie, je vaderland en je eigen cultuur en geloof, een weg opent naar de ander. Het innerlijk gesprek met jezelf en met God, door hem getypeerd als de innerlijke dialoog, opent de ontmoeting en het gesprek met anderen. Hij noemde dat het ideaal van de geestelijke rijpheid. Deze geestelijke rijpheid neemt toe naar de mate een mens de weg van de innerlijke dialoog gaat, de dialoog die begint bij de ontmoeting met het onbekende of, zoals hij dat noemde het Ongehoorde. Deze weg blijft voor anderen verborgen. Wat in de openbaarheid treedt zijn de geestelijke vruchten van deze innerlijke dialoog. Bij een politicus als Hammarskjöld was dat zijn politiek handelen. In zijn dagboek Merkstenen heeft hij echter zijn innerlijke dialoog, zij het na zijn dood, omdat hij er tijdens zijn leven niet over wilde spreken, aan de openbaarheid prijsgegeven.[64] Een reden voor hem was daarmee te laten zien dat dienst aan de wereld niet inhoudt het opgeven van het eigene. Je inzetten voor je familie en voor de vreemdeling is geen tegenstelling, maar liggen in elkanders verlengde. Die dubbele inzet is het gevolg van geestelijke rijpheid die tot uitdrukking komt in een afwezigheid van angst, in een erkenning van het feit dat het lot is wat we ervan maken. Zij komt tot uitdrukking in de afwezigheid van pogingen om meer te zijn dan we zijn of anders dan we zijn, door de erkenning van het feit dat we alleen vaste grond onder onze voeten hebben als we aanvaarden dat we onze medemens niets meer of minder geven dan wat echt van onszelf is. Door te streven naar een dergelijke rijpheid kunnen we goede wereldburgers worden.[65] Wie zichzelf gevonden heeft, heeft ook zijn broer en zus gevonden en komt in een zelfde relatie te staan met de vreemdeling. Dienstbaarheid aan de ander vereist de moed onszelf te zijn en trouw aan eigen idealen.

 

Vijf dagen later paste hij, in een redevoering op 19 juni 1955, dit inzicht van innerlijke dialoog en geestelijke rijpheid toe op de internationale politiek.[66] Er bestond een controverse tussen nationale en internationale politiek. De een koos voor het nationale belang ten koste van het internationale en de ander voor de wereldgemeenschap ten koste van de nationale gemeenschap. Hammarskjöld vond vanuit zijn spiritualiteit de mogelijkheid van een verzoening tussen beide standpunten. De tegenstelling kon overwonnen worden als het nationaal en het internationaal belang tegelijkertijd in het oog werd gehouden. Praktisch zag hij deze verzoening gerealiseerd indien de sterke naties het beste wat ze hebben inzetten ten dienst van het geheel en zich daarmee profileren in de wereld en de zwakkere naties hulp te bieden zichzelf te vinden in een eigen identiteit. De weg vooruit is ….de jonge naties hun juiste gewicht in de internationale balans  geven. Wanneer we aldus aan de wereld geven wat specifiek van ons is, kunnen we ons nationale karakter tonen en beschermen, terwijl wij verandering aanvaarden en onze geest openstellen voor de invloeden van de wereld.[67] Op deze wijze zouden niet alleen de enkele persoon, maar ook de natie en tenslotte de gehele wereld zichzelf kunnen worden. De wereldgeschiedenis laat echter zien dat deze verzoening tussen de enkeling en de gemeenschap, tussen de natie en de wereldgemeenschap telkens wordt ontkracht.[68] Tegenover deze pessimistische ervaring met de geschiedenis zette Hammarskjöld in deze redevoering de waarde van een geloof in.

·         Ik geloof dat de hoop op een wereld van vrede en orde geïnspireerd door respect voor de mens, nooit is opgehouden de geest van mensen te bewegen.

·         Ik geloof dat de grote en edele menselijke geest telt achter de gehavende buitenkant van een geschiedenis waarvan de zelf toegebrachte wonden steeds verschrikkelijker geworden zijn.

·         Ik geloof dat op het punt waarop we nu in onze technische ontwikkeling zijn gekomen, ons geloof nieuwe mogelijkheden kan vinden om aan de geschiedenis vorm te geven.[69]

De VN is een instrument van dat geloof. Dat instrument moest echter nieuwe middelen krijgen, bijvoorbeeld een ideologie, of nieuwe vormen van contact en overlegmethoden. Een maand na deze redevoering verzocht hij Albert Schweitzer in een brief een dergelijke ideologie voor de VN te leveren. Een aanzet daartoe had hij zelf al gegeven in het slot van zijn redevoering. De Organisatie is geboren uit de rampen van de Tweede Wereldoorlog. Het moet de offers van alle strijders voor vrijheid en rechtvaardigheid in die oorlog rechtvaardigen. Ik herinner mij de bittere regels van een grote Anglo-Amerikaanse dichter die schrijft in een ‘Grafschrift voor een onbekende soldaat’:

                        ‘To save your world, you asked this man to die

                        Would this man, could he see you now, ask why?’

Het is onze plicht tegenover het verleden en het is onze plicht tegenover de toekomst, om onze natie en de wereld zo te dienen dat wij in staat zullen zijn antwoord te geven op die smartelijke vraag. De wereld zal een ideologisch, dat wil zeggen richtingbepalend,  antwoord moeten vinden op de vraag waarom en waartoe mensen in de geschiedenis werden geofferd. Daarnaast moesten nieuwe vormen van politiekbedrijven worden gevonden. Hammarskjöld vond er zelf één en zette deze met succes in: de stille diplomatie. Het was een ‘uitvinding’, die ten nauwste met zijn spirituele ervaring samenhing, namelijk de ander ontmoeten in de stilte en verborgenheid met als doel  samen met de ander een nieuwe weg te vinden uit de politieke impasse. In deze stille diplomatie verenigden de innerlijke spiritualiteit en het uiterlijke politieke handelen zich met elkaar. Enkele weken later bleek dit nieuwe politieke middel al nodig.

 

Eind juli 1954 brak een conflict uit tussen de Verenigde Staten van Amerika en de volksrepubliek China. Aanleiding was de door Peking aangekondigde veroordeling van elf Amerikaanse vliegeniers. Zij waren tijdens een vlucht boven Noord Korea gevangen genomen en beschuldigd van spionage. Het conflict liep hoog op, omdat de VS deze aangekondigde veroordeling als een provocatie beschouwden. Op 10 december 1954 kreeg Hammarskjöld van de VN het mandaat zijn nieuwe politieke middel in te zetten. Dat middel kreeg later de naam ‘Pekingformule’. Het was een mandaat dat hem de mogelijkheid bood voor onafhankelijke interventie. Begin 1955 reisde hij naar China voor persoonlijk overleg met Chou En-lai. Deze missie mislukte echter, omdat de VS weigerden in te gaan op zijn voorstellen en overwogen met bombardementen op China het conflict op te lossen. Toen begon hij aan zijn stille diplomatie via de Zweedse ambassade. Dat had succes en op 1 augustus 1955 werden de vliegeniers vrij gelaten. Vanwege dit succes steeg zijn prestige enorm en met hem ook het gezag van de VN in de wereldpolitiek. Hammarskjöld noteert op die dag in zijn dagboek enkele woorden uit psalm 115. Niet aan ons, Heer, niet aan ons komt de eer toe, maar aan uw naam.[70]

 

Hammarskjöld met Chou En-lai

 

Een jaar later ontwikkelde hij met zijn staf nog een nieuw middel, dat de VN kon inzetten: de internationale militaire vredesmacht. Op 28 oktober 1957 hadden Franse en Israëlische troepen Egypte aangevallen. Dat gebeurde nadat Egypte het Suez-kanaal had genationaliseerd als reactie op de stopzetting van Amerikaanse financiële hulp voor de bouw van de Asuwan dam. Op 4 november gelukte het Hammarskjöld in de VN de United Nations Emergency Force (UNEF) op te richten. Met behulp van deze internationale troepenmacht onder leiding van de VN gelukte het deze crisis tot een goed einde te brengen. Een gevolg was dat besloten werd bij meer voorkomende conflicten VN troepenmachten te stationeren. Op die manier zouden strijdende partijen uit elkaar worden gehouden en kon er gezocht worden naar politieke middelen om het conflict op te lossen.[71] Maar niet altijd kon dit middel worden ingezet. Tegelijkertijd was er een opstand van studenten in Hongarije uitgebroken. Op 24 oktober riep de regering van dat land de hulp in van de Russen. Op 4 november eiste  Imre Nagy, één van de politieke leiders van de opstand, de terugtrekking van de Russische troepen. De VS drongen bij de veiligheidsraad van de VN aan op erkenning van een neutrale staat Hongarije. De regering van Janos Kadar beriep zich echter op het VN beginsel zich niet met de interne aangelegenheden van een land te bemoeien, tenzij met instemming van de regering. Daardoor was de VN machteloos Hongarije hulp te bieden en in het conflict te bemiddelen.

 

10 Meditatieruimte in het hart van de internationale politiek

 

Spiritualiteit ontspringt aan het mysterie, of zoals Hammarskjöld dat noemde: het ongehoorde. Met behulp van geloofstaal wordt de ontmoeting met dat mysterie onder woorden gebracht en motiveert iemand vervolgens zijn leven er naar te richten, wat, zoals bij Hammarskjöld het geval was, tot uitdrukking kwam in zijn politiek handelen. Naast de geloofstaal is er nog een tweede middel waarmee de spirituele ervaring tot uiting wordt gebracht en dat is het ritueel. In 1957 voegde hij aan zijn spiritualiteit en politiek handelen het ritueel toe. Hij liet namelijk binnen het gebouw van de Verenigde Naties een plek in ruimen voor verstilling, aandacht en meditatie. Aan de achterzijde van de ronde wand van de zaal van de Veiligheidsraad vond hij een ruimte, die hij daarvoor geschikt achtte. De inrichting van deze ruimte, van deze ‘Room of Quiet’ werd in hoge mate door hem zelf bepaald. In het midden liet hij een ruw blok ijzererts uit Zweden plaatsen, beschenen door een lichtstraal. De muurschildering op de achterwand liet hij maken door de Zweedse kunstenaar Bo Beskow. De bedoeling, die hij met deze ruimte had, beschreef hij in een brochure onder de titel: ‘een ruimte van rust’.

 
 
 
Een ruimte van rust

 

Dit is een ruimte gewijd aan de vrede

en aan hen die hun leven voor de vrede geven.

Het is een ruimte van rust waar alleen gedachten zullen spreken.

Wij allen hebben in ons een kern van stilheid

omgeven door stilte.

Dit huis, toegewijd aan werk en overleg ten dienste van de vrede,

moet één ruimte hebben,

toegewijd aan stilte in de uiterlijke zin

en stilheid in de innerlijke zin.

Het is de bedoeling in deze kleine ruimte een plek te creëren

waar de deuren open kunnen staan

naar de oneindige landen van gedachten en gebed.

Er zullen mensen uit vele geloofsrichtingen hier samenkomen,

en om deze reden konden geen symbolen gebruikt worden,

die we in onze meditatie gewoon zijn.

Hoe dan ook, er zijn eenvoudige zaken

die tot ons allen spreken, in dezelfde taal.

Wij hebben naar deze zaken gezocht en we geloven dat we ze gevonden hebben in de lichtstraal

die op het glinsterende oppervlak van het massief gesteente schijnt.

Zo zien we in het midden van de ruimte

een symbool voor hoe, iedere dag opnieuw,

het licht van de hemel leven geeft aan de aarde waarop wij staan,

een symbool voor velen van ons

voor hoe het licht van de geest leven geeft aan de materie.

Maar de steen in het midden van de ruimte

heeft ons meer te vertellen.

We kunnen hem zien als een altaar, leeg,

niet omdat er geen God is,

niet omdat het een altaar is aan een  onbekende god,

maar omdat het is toegewijd aan de God

die mensen vereren onder vele namen en in vele vormen.

De steen in het midden van de ruimte herinnert ons ook

aan het blijvende en bestendige

in een wereld van beweging en verandering.

Het blok ijzererts heeft het gewicht en de hechtheid

van het eeuwigdurende.

Het herinnert aan de hoeksteen van uithoudingsvermogen en geloof

waarop elke menselijke onderneming is gebaseerd.

Het materiaal van de steen leidt onze gedachten

naar de noodzakelijkheid van de keuze

tussen destructie en constructie,

tussen oorlog en vrede.

Van ijzer heeft de mens zijn zwaarden gesmeed,

van ijzer heeft hij ook ploegscharen gemaakt.

Van ijzer heeft hij tanks gebouwd,

maar hij heeft evenzeer huizen voor mensen gebouwd van ijzer.

Het blok ijzererts maakt deel uit van de rijkdom

waarvan wij op deze aarde erfgenaam zijn.

Hoe gaan we deze gebruiken?

De lichtstraal schijnt op de steen

in een ruimte van volstrekte eenvoud.

Er zijn geen andere symbolen,

er is niets dat onze aandacht afleidt

of dat inbreekt in de stilheid binnen onszelf.

Wanneer onze ogen van deze symbolen dwalen naar de muur voor ons,

ontmoeten ze een eenvoudig patroon dat de ruimte opent

naar harmonie, vrijheid en ruimtelijke balans.

Er is een oud gezegde

dat de betekenis van een vat niet zit in zijn omhulsel,

maar in de leegte.

Zo is deze ruimte.

Het is aan hen die hier komen om de leegte te vullen

Met dat wat zij vinden in hun kern van stilheid.

Dit is een ruimte gewijd aan de vrede en aan hen die hun leven voor de

vrede geven.

Het is een ruimte waar alleen gedachten zullen spreken. [72]

 

De symboliek in deze ruimte moest neutraal zijn. Daarmee vielen vele spirituele symbolen, die een duidelijke relatie hadden met godsdiensten af. Want er zullen mensen uit vele geloofsrichtingen hier samenkomen, en om deze reden konden geen symbolen gebruikt worden, die we in onze meditatie gewoon zijn. Hier kon alleen de spiritualiteit spreken, los van religieuze referentiekaders.[73] De twee meest opvallende symbolen, die als geschikt voor dit doel gevonden werden, waren de lichtstraal en de steen in het midden. Deze beide symbolen behoorden echter tot de symboliek van de spirituele ervaring van Hammarskjöld. In zijn spirituele ervaring had hij deze symbolen gevonden. Het was geen toeval dat hij een blok ijzererts liet halen uit het Zweedse bergland. Dat blok vertegenwoordigde voor hem zijn ontmoeting met het Ongehoorde, met het mysterie, met de ultieme werkelijkheid, die hij in de Zweedse bergen had leren kennen. De steen in het midden van de meditatieruimte herinnerde hem aan het blijvende en bestendige, aan het eeuwigdurende, en aan zijn roeping, die uithoudingsvermogen en geloof, waarop elke menselijke onderneming is gebaseerd, vergde, en aan de keuze tussen destructie en constructie, tussen oorlog en vrede. Regelmatig had hij zich teruggetrokken in de stilte van het noorden van Zweden, om te vertoeven, dicht bij de plek waar hij zijn persoonlijke openbaring had gehad en hij zijn geestelijke geboorte had beleefd.[74] Die plek had hij als het ware meegenomen en gebracht midden in het gebouw van de Verenigde Naties. Om deze steen groeperen zich meer symbolen, zoals het licht en de stilte, twee symbolen, die in het Zweedse bergland diepe indruk op hem hadden gemaakt en waarover hij in zijn dagboek regelmatig schreef. In de wandschildering werden de lichtstraal en de steen eveneens verwerkt, geschilderd, ook niet toevallig, door een Zweedse kunstenaar. Met deze meditatieruimte, waar alleen gedachten zullen spreken, hoopte hij de organisatie van de VN een spiritueel hart gegeven te hebben. Het was in feite zijn eigen hart dat hij deze wereldorganisatie aanbood.

 

11 In dienst van de vrede

 

De meditatieruimte in het VN gebouw weerspiegelde zijn levenshouding. Die ruimte bracht in een harmonische eenheid bijeen, wat ook in zijn leven tot eenheid gekomen was. In een toespraak ter gelegenheid van het 75jarig bestaan van de Zweedse Toeristenvereniging in 1960 duidde hij de samenstelling van deze geestelijke eenheid als volgt. Ken je innerlijke wereld, ken je vaderland en ken de internationale wereld en houdt  deze drie in onderlinge balans.[75] Hammarskjöld was uitgegroeid tot een internationale persoonlijkheid, maar bleef tegelijkertijd geworteld in de tradities van zijn land en familie en tevens bleef hij onlosmakelijk verbonden met zijn oorspronkelijke inspiratie. Die inspiratie beschreef hij in zijn dagboek Merkstenen aan de hand van landschappelijke beelden. Zijn dagboek begint met Verder word ik gedreven, een onbekend land in, en eindigt met de woorden:

 

Ontwaakte,

een gewone ochtend met grijs licht

weerkaatst van de straat,

ontwaakte –

uit de donkerblauwe nacht

boven de boomgrens

met het schijnsel van de maandag op de heide

en de bergkam in schaduw.

Dacht

aan andere dromen,

dacht

aan hetzelfde bergland:

tweemaal was ik op de kammen,

woonde ik bij het binnenste meer

en volgde ik de stroom

naar de bronnen.

 

De seizoenen wisselden

en het licht

en het weer

en het uur.

Maar dit is hetzelfde land.

En ik begin de kaart te kennen

en de windstreken.[76]

 

In deze innerlijke wereld van een aanvankelijk onbekend landschap had hij de ander ontmoet, die in de loop van zijn leven het initiatief had overgenomen en hem als het ware in dienst had genomen. Daarover schreef hij op Pinksteren 1961: Ik weet niet wie – of wat – de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik ja, tegen iemand – of iets. Vanaf dat moment heb ik de zekerheid dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in onderwerping, een doel heeft.[77] De consequenties van deze ‘dienstbetrekking’ werden hem duidelijk aan de hand van de geloofstraditie, die hem was overgeleverd. Deze traditie bestond voor hem uit de bijbel, met name daarin het levensverhaal van Jezus, verder voorgeleefd geloof, de ordening van het kerkelijk jaar, verschillende christelijke mystici, zoals Thomas à Kempis, Eckhart en Johannes van het Kruis en religieuze denkers als Schweitzer en Buber. De inhoud van deze dienst werd hem gaandeweg duidelijk, vooral na zijn benoeming tot secretaris-generaal van de VN. De organisatie van de Verenigde Naties was kort na de oorlog opgericht met als doel oorlog in de toekomst te voorkomen. Voor dat doel zette Hammarskjöld zich in met alle politieke middelen, die hem ten dienste stonden. In zijn spiritualiteit had hij de angst voor de ander overwonnen. Dat maakte hem tot een succesvol politiek onderhandelaar. Vanuit zijn spiritualiteit had hij de kracht van de verborgen ontmoeting ontdekt en paste deze toe in de stille diplomatie. Op deze manier voegde hij nieuwe middelen toe aan de internationale politiek van de VN. Een ander zeer bekend middel van hem was de oprichting van de internationale vredestroepenmacht. Deze had hij met succes ingezet bij de Suezcrisis in 1956 en in 1958 met de burgeroorlog in Libanon. 

 

Zijn grootste inzet wilde hij echter leveren aan Afrika. Door de dekolonisatie waren op dat continent tal van nieuwe staten ontstaan. De ontwikkeling van deze jonge landen ging hem ter harte. Eind 1960 reisde hij langs 21 Afrikaanse landen. Inmiddels was in het voormalige Belgisch Kongo tussen de verschillende stammen een burgeroorlog uitgebroken. De provincie Katanga had zich onder leiding van Moise Tsjombe afgescheiden van de centrale regering, daarbij geholpen door Belgische troepen.[78] President Kasavubu en premier Lumumba van de centrale regering vroegen de VN om hulp. Op 18 juli 1960 gelukte het de VN een vredesmacht in Leopoldstad, het huidige Kinshasa, te stationeren. Maar de regering spleet doordat Kasavubu en Lumumba elkaar gingen bestrijden met als gevolg de vestiging van een militaire dictatuur door Jozef Mobutu. Tegelijk dreigde er een scheuring binnen de VN. Nikita Chroesjtsjov, partijleider van de Sovjetunie, vond dat Hammarskjöld met zijn bemoeienis met Afrika, met name het bevorderen van de onafhankelijkheid van de jonge landen, teveel een vazal van het westerse kapitalisme was geworden. Chroesjtsjov zette zijn voorstel kracht bij door een schoen uit te trekken en daarmee krachtig op de tafel te slaan. Met zijn voorstel de secretaris-generaal te vervangen door een driemanschap hoopte hij Hammarskjöld weg te krijgen. Het voorstel werd echter met 83 – 11 stemmen verworpen.

 

In de zomer van 1961 liepen de politieke spanningen in de Kongo hoog op. Voormalige koloniale machthebbers wilden hun invloed behouden. Nationalisten en vrijheidsstrijders eisten onafhankelijkheid en autonomie. De staf van Hammarskjöld bestond voor een groot deel uit nieuwe medewerkers. Door onervarenheid waren er communicatieproblemen ontstaan met de vredesmacht van de VN in Kongo. De vredesmacht was, door het gebruik van geweld, in opspraak geraakt. Binnen de VN was een discussie ontbrand. Toen besloot Hammarskjöld opnieuw zelf naar de Kongo te gaan om te bemiddelen tussen de verschillende partijen. Voor hij vertrok sprak hij op 8 september zijn staf bemoedigend toe.

 

In een situatie als die waarvoor nu alle volken van de wereld staan, zoals zij in deze organisatie vertegenwoordigd zijn, is het begrijpelijk dat stafleden zich soms gefrustreerd voelen en zelfs terneergeslagen. Daarin verschillen zij niet van hun medemensen die op andere posities worden beïnvloed door de loop der gebeurtenissen in de wereld. Er is slechts één antwoord op het menselijk probleem waar het hier om gaat, en dat is voor allen om hun professionele trots te behouden, hun gevoel voor doelgerichtheid, en hun vertrouwen in de hoogste bestemming van de Organisatie zelf door zich in hun gedrag als internationale ambtenaar en in de kwaliteit van het werk dat zij voor de Organisatie tot stand brengen, te houden aan de hoogste standaarden van persoonlijke integriteit. Dit is de manier om datgene te verdedigen waar zij in geloven, en deze Organisatie, als instrument van vrede waarvoor zij wensen te werken, te versterken. Neerslachtigheid en wanhoop leiden tot defaitisme en – mislukking. ….. Maar ook al zijn de gevaren groot, en ook al is onze rol gering, we kunnen voelen dat het werk van de organisatie het middel is waardoor wij er allen samen aan kunnen werken om de gevaren te verminderen. Het zou te dramatisch zijn om over onze taak te spreken als over het wagen van een oorlog voor vrede, maar het is behoorlijk realistisch om ernaar te kijken als een essentieel en – binnen zijn grenzen – effectief werk om dammen te bouwen tegen de vloedgolven van desintegratie en geweld. …… Het is valse trots om je tegenover de wereld te laten voorstaan op en te pochen over de belangrijkheid van je werk, maar het is valse bescheidenheid en uiteindelijk net zo destructief, om niet te erkennen – en met dankbaarheid te erkennen – dat je werk iets betekent.[79]

 

Dag Hammarskjöld probeerde voor onderhandelingen Tsjombe van de opstandige provincie Katanga, naar Leopoldstad te krijgen. Dat gelukte niet. Toen besloot hij naar Ndola in het toenmalige Rhodesië te vliegen, om daar Tsjombe te ontmoeten. In de vroege ochtenduren van 18 september 1961 crashte het vliegtuig vlakbij het vliegveld van Ndola. Daarbij kwam hij om het leven.[80]

 

Aantekeningen



[1] Bij het manuscript van zijn dagboek, dat na zijn dood in zijn woning in New York werd gevonden, was een briefje bijgevoegd aan Leif Beifrage, secretaris generaal van Buitenlandse Zaken in Zweden. Daarin verleent hij deze het recht tot eventuele publicatie. In dit briefje noemt hij zijn aantekeningen het enige juiste profiel dat getekend kan worden. De volledige tekst van deze brief luidt:

 

Beste Leif,

 

Misschien herinner je je dat ik je eens vertelde dat ik toch een soort dagboek bijhield, waarvan ik wilde dat jij het te zijner tijd onder je hoede zou nemen. Hier is het dan.

Ik begon eraan te werken zonder de gedachte dat iemand het ooit te zien zou krijgen. Maar door mijn latere lotgevallen, door alles wat er over mij gezegd en geschreven is, is de situatie veranderd. Deze aantekeningen geven het enige juiste ‘profiel’ dat getekend kan worden. En daarom heb ik in latere jaren rekening gehouden met de mogelijkheid van publicatie, hoewel ik doorging met voor mezelf te schrijven en niet voor een eventueel publiek.

Als je vindt dat ze het waard zijn om gedrukt te worden, heb je het recht dat te doen, als een soort ‘witboek’ over mijn dialoog met mezelf – en God.

 

Dag

Zie Merkstenen, Vertaling van R. F. M. Boshouwers, serie Spiritualiteit deel 19, Nijmegen 7e druk 1983, ,9.

[2] Merkstenen a.w., p.109.

[3] De tekst van deze radiorede is o.a. te vinden in: Jos Huls, ‘Dag Hammarskjöld: de ander als onze meester in God’ in Speling, jaarg.47, nummer 2, Tilburg 1995, p.67-68. 

[4] Monica Bouman, Internationale dienstbaarheid als vrijheid en plicht, de levensweg van Dag Hammarskjöld, Kampen 2001, p.141.

[5] Jurjen Beumer, De langste reis is de reis naar binnen, het politiek-mystieke leven van Dag Hammarskjöld, Baarn 1997, p.11-12.

[6] Monica Bouman a.w., p.80.

[7] Monica Bouman, a.w. p.50.

[8] Merkstenen, a.w., respectievelijk p.27 en 123.

[9] Merkstenen, a.w., p.82.

[10] Merkstenen, a.w., p. 75, 99, 121, 123.

[11] Merkstenen, a.w., p.111.

[12] Merkstenen, a.w., God spreekt, zie p. 78 en 84. God handelt, zie p. 70, 71 (God bevrijdt), 88 (God doet wonderen), 94 (God vergeeft), 99 (God schept), 102 (God troost), 118.

[13] Merkstenen, zie o.a. p. 76-77, 83-84, 90, 118, 122.

[14] Merkstenen, a.w.., p.108.

[15] Uit de psalmen 24 keer en uit de evangeliën 12 keer.

[16] Merkstenen, a.w., p.27, 77, 94, 107, 116, 124.

[17] Merkstenen, a.w., p. 51, 65, 70, 74.

[18] Martin Buber, Ich un Du, 1923.

[19] Monica Bouman, a.w., p.249.

[20] Jurjen Beumer, a.w., 15-18.

[21] Merkstenen, a.w.,p. 57-58.

[22] Zie ook Aartjan van den Berg, Aan de grens van het paradijs, Baarn 1996.

[23] Merkstenen, a.w.,p. 20. Het is onduidelijk wanneer Hammarskjöld deze revisie doorvoerde. Volgens Blommenstijn (Speling 1/84 p.91) was dat eind 1956, waarbij deze auteur baseert op een tekst van 26 december 1956 nu houd je rekening met mogelijke lezers, uitgaande van de veronderstelling dat hij daarom de tekst van zijn dagboek reviseerde. In de uitgave van 1983 veronderstelt Blommenstijn dat dit plaatsvond in het voorjaar van 1957 (Merkstenen, a.w.,p.7) en Herwig Arts plaatst de herziening in het jaar 1953 (Herwig Arts, Een kluizenaar in New York, de spiritualiteit van Dag Hammarskjöld, Antwerpen 1986, p.25).

[24] Monica Bouman noemt deze eerste tekst in zijn dagboek een mystieke ervaring, zie a.w., p.88.

[25] Merkstenen, a.w.,p.21.

[26] Merkstenen, a.w.,p.27.

[27] Zie zijn radiorede in 1954 in: Jos Huls, ‘Dag Hammarskjöld: de ander als onze meester in God’ in Speling, jaarg.47, nummer 2, Tilburg 1995, p.68. 

[28] Jos Huls, ‘Wagen jezelf te zijn – Dag Hammarskjöld’ in Speling, jaarg.49, nummer 4, Tilburg 1997, p.42. 

[29] Merkstenen, a.w., p.22.

[30] Monica Bouman, a.w., p.97.

[31] Merkstenen, a.w., p.28.

[32] Merkstenen, a.w., p.49.

[33] Monica Bouman, a.w., p.103.

[34] Merkstenen, a.w., p.57-58.

[35] Monica Bouman, a.w., p.126.

[36] Merkstenen, a.w., p.57.

[37] Monica Bouman, a.w., p.127.

[38] Hein Blommestijn, ‘Ja aan het onbekende – Dag Hammarskjöld’ in Speling, jaarg.36, nummer 1, Tilburg 1984, p.93.

[39] Merkstenen, a.w., p.60.

[40] Vertaling Monica Bouman, a.w., p.123.

[41] Vertaling Monica Bouman, a.w., p.123.

[42] Hein Blommestijn, a.w., p. 93.

[43] Monica Bouman, a.w. p.124 en Herwig Arts, a.w., p.36.

[44] Merkstenen, a.w., p.61.

[45] Merkstenen, a.w., p.61.

[46] Zie zijn dagboeknotitie uit 1952: Bid dat je eenzaamheid de stimulans wordt om iets te vinden waar je voor kunt leven, groot genoeg om ervoor te sterven, in Merkstenen, a.w., p.68

[47] Monica Bouman, a.w., p. 130.

[48] Monica Bouman, a.w., p. 51.

[49] Zie o.a. Merkstenen, a.w., p.54 Er is een punt waarop alles eenvoudig wordt….

[50] Merkstenen, a.w., p.71. Citaat uit De Navolging van Thomas à Kempis, II:10, 19-20.

[51] Merkstenen, a.w., p.71.

[52] Merkstenen, a.w., p.119. (6 oktober 1957)

[53] Merkstenen, a.w., p.148. (Pinksteren 1961)

[54] Merkstenen, a.w., p.94.

[55] Merkstenen, a.w., p.71.

[56] Merkstenen, a.w., p.56.

[57] 19 juni 1955, Toespraak De Wereld en de Naties Stanford Universiteit te Palo Alto Californië (Monica Bouman, a.w., p 150-153).

[58] Merkstenen, a.w., p.85.

[59] Merkstenen, a.w., p.118-119.

[60] Merkstenen, a.w., p.146.

[61] Uit de redevoering gericht tot de tweede vergadering van de Wereldraad van Kerken te Evanston in Illinois op 20 augustus 1954, zie Monica Bouman a.w., p.28-29.

[62] The Ecumenical Review, vol VIII p.400-402.

[63] Toespraak Johns Hopkins Universiteit te Baltimore, 14 juni 1955, zie Monica Bouman p.42-45

[64] Merkstenen, a.w., p.109.

[65] Toespraak Johns Hopkins Universiteit te Baltimore, 14 juni 1955, zie Monica Bouman p.43.

[66] Toespraak  aan de Stanford Universiteit te Palo Alto Californië, onder de titel: The World and the Nation, 19 juni 1955, zie Monica Bouman p.150-153.

[67] Zie Monica Bouman, a.w., p.152. 

[68] Zie Johan Hendrik Jacob van der Pot, Sinndeutung und Periodiserung der geschichte, Leiden 1999, Hauptteil 3 ‘Die Zukunftspessimistischen Geschichtsdeutungen, p.563-779.

[69] Monica Bouman, a.w., p.162-163.

[70] Merkstenen, a.w., p.84, psalm 115:1.

[71] Jurjen Beumer, a.w., p.23.

[72] De brochure Room of Quiet, uit: Jos Huls Dag Hammarskjöld over de meditatieruimte van de V.N., in Speling nr. jrg.47, nr.1, 1995, p.56-65).

[73] Jos Huls, Dag Hammarskjöld over de meditatieruimte van de V.N., a.w., p.63.

[74] Jos Huls Dag Hammarskjöld over de meditatieruimte van de V.N., a.w., p.65.

[75] Monica Bouman, a.w., p.143-144.

[76] Merkstenen, a.w., p.158.

[77] Merkstenen, a.w., p.148.

[78] Tegenover de faculteit in Brussel waar ik (Aartjan van den Berg) in deze periode studeerde lag het bureau waar de tot het protestantse geloof behorende Tsjombe onderhandelingen voerde met Belgische autoriteiten. Bij de ingang van dit gebouw was hij meerdere malen te zien.

[79] Monica Bouman, a.w., p.55.

[80] Het is tot nu toe onduidelijk gebleven of het een ongeluk betrof, of een aanslag. Het is mogelijk dat er problemen waren met een van de rubberen brandstoftanks. Deze zou gelekt kunnen hebben, brand gevat en ontploft. Er bestaat ook het gerucht dat Belgische industriëlen huurlingen hadden ingezet om een aanslag op het vliegtuig te plegen en op deze wijze te verhinderen dat het geschil tussen Katanga en de rest van Kongo zou worden opgelost. Het dode lichaam van Hammarskjöld werd in vrij gave staat gevonden.



< Terug naar inhoudsopgave