Aanvullende artikelen


Deze artikelen zijn verdere verdiepende bijdragen, behorende bij het hoofdartikel ‘Historiciteit en Spiritualiteit’.




< Terug naar inhoudsopgave

Bernadette Soubirous in de discoursen mysterie, godsdienstige traditie en wetenschap

 

Inhoud

 

1 Bernadette en haar eigen interpretatie van de gebeurtenissen in Lourdes in 1858

2 Bernadette tussen mysterie, godsdienstige traditie en wetenschap

3 Bernadette en het huidige Lourdes

Aantekeningen

 

 

1 Bernadette en haar eigen interpretatie van de gebeurtenissen in Lourdes in 1858

 

Lourdes is het grootste en bekendste bedevaartsoord ter wereld. Wat minder bekend is haar stichteres Bernadette Soubirous. Zij kan in vergelijking met een muzikaal wonderkind als Mozart of een wiskundig wonderkind als Einstein, getypeerd worden als een spiritueel wonderkind, in de betekenis van een uitzonderlijke spirituele begaafdheid op jeugdige leeftijd. Zij was nog een kind toen zij het middelpunt werd van een gebeuren, dat zijn betekenis kreeg, niet alleen voor haar stad, maar ook ver daar buiten. De opkomst van Lourdes als religieus wereldcentrum begon door haar toedoen, toen zij net 14 jaar oud was. Deze gebeurtenis in 1858, die voor haar eigen leven en dat van haar stad ingrijpende veranderingen met zich meebracht, heeft zij enige jaren later op schrift gesteld. Dat opschrijven kon zij niet direct doen, omdat zij op dat moment, vanwege de armoede waarin zij moest leven, noch kon lezen, noch kon schrijven. Drie jaar later gelukte haar dat wel. Bij de zusters in Lourdes, behorende tot de congregatie van de Liefdeszusters van Nevers, had de inmiddels in heel Frankrijk bekende Bernadette, leren schrijven en lezen. Deze vaardigheid bleef echter voor haar een vrij vreemde cultuur. Bovendien leerde zij schrijven in het Frans, een taal die zij van huis uit niet of nauwelijks kende. Het blijft dus een vraag in hoeverre zij haar ervaring van de verschijningen tot uitdrukking wist te brengen, overeenkomstig haar eigen zienswijze.[1] Bovendien ontstond vanaf 1869 een strijd tussen verschillende auteurs, met name Henri Laserre en Léonard Cros, die elk beweerden met hun publicatie het ware verhaal van Bernadette te vertellen.[2] Vanaf juli 1860 verbleef zij in het Hospice van de zusters als interne leerling. Deze zusters hadden goede contacten met de paters van Bétharram, een plaatsje ten westen van Lourdes. Op 28 mei 1861 schreef Bernadette een brief aan P. Gondrand, diocesaans priester in de streek van Bétharram, met daarin een verslag van de gebeurtenissen in 1858. Met deze brief gaf zij op schrift haar eerste interpretatie van de gebeurtenissen die drie jaar eerder hadden plaatsgevonden. Het was een manier van interpreteren, die ik zou willen typeren als een integrerende spiritualiteit. Deze manier van interpreteren kan gelegd worden naast die van vele anderen, die bij deze gebeurtenissen betrokken waren. Na lezing van de inhoud van haar brief en beschrijving van de typisch spiritueel christelijke elementen, zal haar interpretatie vergeleken worden met die van anderen, waardoor in contrast met die andere interpretaties het spiritueel integrerende gehalte van haar brief nog duidelijker naar voren komt. Haar brief kan dus gelezen worden als een document waarin de contouren van een integrerende spiritualiteit zichtbaar worden. Ter verduidelijking heb ik in de tekst van de brief enige opmerkingen tussen haakjes bijgevoegd.

 

‘Aan de weleerwaarde P. Gondrand, van de Oblaten van Marie-Immaculée te Bétharram.

 

Het verhaal over het visioen

 

Ik ging met twee andere meisjes hout sprokkelen aan de oever van de beek (donderdag 11 februari 1858). Zij gingen door het water. Zij begonnen te huilen. Ik vroeg hen waarom zij huilden. Zij antwoordden dat het water koud was. Ik vroeg hun mij te helpen door stenen in het water te gooien zodat ik door de beek kon zonder schoenen en kousen uit te trekken. Zij antwoordden dat ik het net zo moest doen als zij. Toen ging ik een beetje verderop om te zien of ik kon oversteken zonder mijn schoenen uit te trekken. Ik kon het niet. Toen ging ik terug tot voor de grot (de grot van Massabielle, gelegen aan de oever van de Gave) om mijn schoenen uit te trekken. Toen ik daarmee begonnen was, hoorde ik een geluid. Ik draaide mij om naar de kant van de weide. Ik zag dat de bomen zich helemaal niet bewogen. Ik ging verder met het uittrekken van mijn schoe­nen. Ik hoorde hetzelfde geluid. Ik hief mijn hoofd op en keek naar de grot. Ik zag een dame in het wit gekleed. Zij droeg een witte jurk met een blauwe ceintuur en een gele roos op elke voet, zoals ook geel de kleur was van de ketting van haar rozen­krans. Toen ik dat gezien had wreef ik in mijn ogen. Ik dacht mij te vergissen. Ik stak mijn hand in mijn zak en ik vond er mijn rozenkrans. Ik wilde het kruisteken maken. Ik kon mijn hand niet naar mijn voor­hoofd brengen. Hij viel slap neer. De verschijning maakte het kruisteken. Toen trilde mijn hand. Ik probeerde het ook te doen en ik kon het. Ik liet de rozen­krans door mijn vingers glijden. De verschijning liet haar kralen door de vingers gaan, maar zij bewoog haar lippen niet. Toen ik met mijn rozenkrans klaar was, was de verschijning opeens weg.

 

Ik vroeg aan de andere twee kinderen of zij niets gezien hadden. Zij zeiden: 'nee'. Zij vroegen mij wat het was en dat ik het hun moest zeggen. Toen vertelde ik dat ik een dame gezien had in het wit gekleed. Maar dat ik niet wist wat het was. Maar dat zij er niet over moesten praten. Vervol­gens zeiden zij dat ik er niet meer moest terugkomen. Ik zei: 'nee'.

 

Ik kwam er zondag (zondag 14 februari) voor de tweede keer terug want ik voelde mij innerlijk daartoe gedrongen. Mijn moeder had mij verboden daarheen te gaan. Na de hoogmis zijn de andere twee kinderen en ik het opnieuw aan mijn moeder gaan vragen. Maar zij wilde het niet. Zij zei tegen mij dat zij bang was dat ik in het water zou vallen en dat zij bang was dat ik te laat terug zou komen om de vespers bij te wonen. Ik beloofde haar op tijd te zijn. Toen gaf zij mij toestemming te vertrekken. Ik ging naar de dorpskerk om een klein flesje wijwater mee te nemen om het naar de verschijning te gooien als ik bij de grot zal zijn, als ik haar zou zien. Inderdaad, ik zag haar. Toen ik haar er wat van toewierp, glimlachte zij en boog het hoofd. Toen ik klaar was met mijn rozenkrans, verdween zij.

 

Pas de derde keer (donderdag 18 februari) sprak zij met mij. Zij zei mij of ik vijftien dagen lang hier naar toe wilde komen. Ik antwoordde: 'ja'. Zij zei mij dat ik naar de priesters moest gaan om te zeggen dat er hier een kapel gebouwd moest worden. Vervolgens zei ze dat ik uit de bron moest gaan drinken. Toen ik er geen zag, ging ik uit de beek drinken. Maar ze zei dat het daar niet was. Zij wees met haar vinger terwijl zij mij de bron liet zien. Ik ging er heen. Ik zag alleen maar een beetje troebel water. Ik stak mijn hand er in. Ik kon er niet van nemen. Ik begon te graven. Daarna kon ik er wat van nemen. Drie keer heb ik het weggegooid. Bij de vierde keer kon ik er van drinken. Vervolgens verdween de verschijning en ik trok mij terug.

 

Ik kwam vijftien dagen lang terug. De verschijning verscheen elke dag behalve een maandag en een vrijdag. Zij herhaalde verschillende keren dat ik de priesters moest zeggen dat er een kapel gebouwd moest worden en dat ik naar de bron moest gaan om mij te wassen en dat ik moest bidden voor de bekering van de zondaars.

 

Telkens vroeg ik haar wie zij was. Maar zij deed dan niets anders dan glimlachen. Terwijl zij haar beide armen liet hangen sloeg zij de ogen ten hemel, vervolgens zei ze mij dat zij de 'Immaculée Conception' (Onbevlekte Ontvangenis) was. Tijdens die vijftien dagen gaf zij mij drie geheimen die ik aan niemand mocht vertellen. Daar heb ik mij tot op vandaag aan gehouden.

 

Ziehier meneer het verhaal over de verschijning. Moge het u beval­len. Ik bedank u voor het portret dat u mij gestuurd heeft. Ik zal het zorgvuldig bewaren. Moeder overste is u ook zeer erkentelijk en vraagt u haar gewaar­deerde groeten in ontvangst te nemen. Wij bevelen ons aan, meneer, in uw innige en heilige gebeden, ons verenigende in de heilige harten van Jezus en Maria.

 

Uw zeer nederige en geheel toegewijde

Bernadette Soubirous.                                                                      Lourdes, 28 mei 1861[3]

 

Enkele kenmerken van spiritueel christelijk interpreteren in deze brief

 

1. Objectief spiritueel

Op het moment dat Bernadette deze brief schrijft woont zij nog in Lourdes. Vijf jaar later in 1866 verlaat zij Lourdes voorgoed en treedt zij in, eerst als novice en later als kloosterzuster in het klooster van Saint-Gildard in Nevers. Drie jaar na de verschijningen bij de grot van Massabielle heeft vrijwel iedereen in heel Frankrijk van Bernadette gehoord. Dagelijks trekken velen naar de grot om er te bidden en zich geestelijk te reinigen met het water uit door haar opgegraven bron. Het enorme succes van haar optreden kan haar niet ontgaan zijn. Als zij in 1861 voor het eerst de gebeurtenissen van drie jaar eerder op papier zet, zou verwacht kunnen worden dat zij naar de gevolgen van deze gebeurtenissen in de brief zou verwijzen. Zij zou bijvoorbeeld tegenover critici kunnen opmerken dat de grote aantrekkingskracht, die Lourdes dan al op velen uitoefent, een bewijs kan zijn van de echtheid van wat haar in 1858 overkwam. Zij zou zich in deze brief gemakkelijk als zieneres kunnen legitimeren. Zij zou kunnen benadrukken dat zij kennelijk uitverkoren was door Maria, die aan haar verschenen was. Al dit soort voor de hand liggende legitimaties en argumenten ontbreken totaal in deze brief! Op een buitengewone nuchtere manier probeert zij, zonder zichzelf naar voren te halen, te beschrijven wat zij toen heeft meegemaakt en dat zonder franje en opgeklopte emoties. Onze huidige emotiecultuur vat spiritualiteit veelal op als een subjectief gevoelsgebeuren, in tegenstelling tot de inhoud van deze brief, waarin Bernadette juist de objectieve kant van spiritualiteit laat zien. Haar spirituele manier van interpreteren is gericht op de inhoud van een ontmoeting en niet op haar eigen subjectieve gevoelens of het succes dat zij daarmee eventueel kan behalen. Haar eigen belang en dat van anderen is volledig uitgeschakeld. Daarmee laat zij een vorm van spiritualiteit zien, die voor wat het christendom betreft, begint bij het opschrijven van de gebeurtenissen rond Jezus Christus, wat uiteindelijk een spiritueel document opleverde in de vorm van de christelijke bijbel. De tekst van de bijbel en de tekst van de brief van Bernadette lijken als twee druppels water op elkaar voor wat betreft de spirituele manier van omgang van gebeurtenissen. Deze manier kenmerkt zich als objectief spiritueel. Ook in de jaren na deze brief heeft zij een aantal keren haar verhaal opgeschreven, waarin het niet alleen tot een overschrijven van de inhoud van deze eerste brief, maar een telkens opnieuw vertellen kwam. Een synoptische vergelijking van haar verschillende geschriften[4] laat zien, dat deze objectieve spiritualiteit door haar werd volgehouden. Details wisselen, maar nergens wordt in haar geschriften het objectieve voor het subjectieve ingeruild.

 

2. Bijbels spirituele verhaalstijl

Ook de opbouw van haar verhaal van de verschijningen vertoont sterke overeenkomst met de bijbels spirituele en uit de kerkgeschiedenis bekende verhaalstijl, met name in de zogenaamde roepingverhalen. Al deze verhalen beginnen met de beschrijving van een alledaagse realiteit (A), gevolgd door een beschrijving van een onverwachte en fascinerende situatie (B), die vervolgens als een ontmoeting wordt beschreven, een ontmoeting die tenslotte het karakter krijgt van een dialoog (C). Deze verhaalstructuur is bijvoorbeeld te vinden in het roepingvisioen van Mozes (Exodus 2:23–4:17), van Jesaja (Jesaja 6), van Ezechiël (Ezechiël 1), van Jezus (Matth.3:13-17, Marc. 1:9-11, Luc. 3:21-22) en van Paulus (Hand.9:1-19). Een vergelijking van het verhaal van Paulus en dat van Bernadette toont deze typisch bijbels spirituele verhaalstijl aan.

 

Verhaal van Paulus                                                   Verhaal van Bernadette

Handelingen 9:1-19                                                   Brief aan P. Gondrand

 

A. Beschrijving van een ‘gewone’ situatie. Deze verhalen beginnen met de beschrijving van een alledaagse situatie, om daarmee het ongewone en onverwachte van het visioen te benadrukken. Tevens wordt daarmee aangegeven dat het visioen niet wordt opgeroepen, maar de betrokkene zonder enige voorbereiding overkomt.

 

En Saulus, nog dreiging en moord                Ik ging met twee andere meisjes hout

blazende tegen de discipelen van de Heer,  sprokkelen aan de oever van de beek.

ging naar de hogepriester, en vroeg van       Zij gingen door het water…

hem brieven naar Damascus voor de          Ik vroeg hen mij te helpen… Zij

synagogen, om, als hij mannen en               antwoordden dat ik het net zo moest

vrouwen, die van die weg waren, zou           doen als zij… Ik kon niet. Toen ging ik

vinden hen gevankelijk naar Jeruzalem te    terug tot voor de grot om mijn

brengen.                                                        schoenen uit te trekken.

En terwijl hij daarheen op weg was,              Toen ik daarmee begonnen was

 

B. Beschrijving van een ongewone en fascinerende situatie. Dit is het moeilijkste moment in het verhaal, omdat de schrijver de lezer mee moet nemen naar een situatie, die zozeer afwijkt van het alledaagse vertrouwde, dat woorden tekort schieten.

 

geschiede het, toen hij Damascus               Toen ik daarmee begonnen was,

naderde, dat hem plotseling licht uit de         hoorde ik een geluid… Ik hief mijn

hemel omstraalde                                         hoofd op en keek naar de grot. Ik zag

een dame in het wit gekleed.[5]

 

C. Beschrijving van een ontmoeting, die het karakter krijgt van een gesprek.

 

…. Hij hoorde een stem tot zich zeggen:      Pas de derde keer sprak zij met mij.

Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?              Zij zei mij of ik vijftien dagen lang hier

En hij zei: Wie bent U, Heer?                                    naar toe wilde komen. Ik antwoordde: 'ja'… Telkens vroeg ik haar wie zij was.                                                   

3. Eerst zien dan horen

In beide bovenstaande verhalen gaat het zien vooraf aan het horen. Paulus ziet een licht dat hem omstraalde en Bernadette ziet een dame in het wit gekleed. In de andere genoemde bijbelverhalen ziet Mozes een braamstruik in brand die niet verteerde (Exodus 3:2), Jesaja ziet de Heer zitten op een hoge en verheven troon (Jesaja 6:1), Ezechiël ziet de hemel geopend (Ezechiël 1:1), evenals Jezus, die uit de geopende hemel de Geest van God als een duif ziet neerdalen (Matteüs 3:16). Bernadette noemt in haar beschrijving dit zien een visioen. Daarmee wordt een bijzondere vorm van zien aangeduid, die in de spirituele traditie wel beschreven wordt als innerlijk zien, of zien met het geestesoog. Dit zien kan ook beschreven worden als het zien van een manifestatie van het mysterie. In het verhaal van Bernadette, als in de bijbelse roepingverhalen, als in de vele visioenen, die in de mystieke traditie zijn overgeleverd, blijft het visioen niet louter bestaan als beeld, maar ook als woord. Dat woord heeft als inhoud de geloofstaal. Daarmee staat het visioen in de bijbel, in de kerkelijke traditie en ook bij Bernadette in de spanningsrelatie van geloof en mysterie. De spirituele interpretatie van een visioen volgt de methodische weg van beeld naar woord, van mysterie naar geloof. Volgens het symbiosemodel is het legitiem om het beeld in een visioen te interpreteren vanuit het geloof. Dat is de methode van christelijk spiritueel interpreteren. In het geval van Bernadette zou interpretatie dan inhouden: Maria is aan Bernadette verschenen. Het risico van deze duidelijke geloofstaal is echter dat het spirituele karakter van het visioen niet meer begrepen wordt, waarmee het visioen een bron kan worden van veel inadequate aandacht, zoals bijvoorbeeld de vraag of Maria echt aan Bernadette verschenen is of niet. Dan wordt er gezocht naar een instantie, bijvoorbeeld de kerk, die dat kan beoordelen, Het verhaal van Bernadette volgt echter de methodische weg van eerst zien en dan horen. Nadrukkelijk schrijft zij: ‘pas de derde keer sprak zij met mij’. Dat is een methode die binnen het symbiosemodel even legitiem is en waarin het geloof en de geloofstaal geïnterpreteerd worden vanuit het beeld, vanuit de symboliek van het visioen. Dat is de methode van integrerende spiritualiteit. In het geval van Bernadette houdt deze methode van interpreteren de vraag levend: wie is toch deze dame, gekleed in wit, die aan Bernadette verscheen? Ook aan deze interpretatie kleven risico’s, zoals wij zullen zien.

 

4. Het geheim van de naam

Bernadette beschrijft degene die zij ontmoet in haar visioen, dat zich in de periode 11 februari tot en met  16 juli 1858 in totaal 18 keer herhaalde,  zoals uit deze brief blijkt, als een dame in het wit gekleed en als Immaculée Conception. Ook in latere brieven en beschrijvingen[6] blijft zij met voorkeur spreken over ‘de dame in het wit’.[7] Bijna op het einde van de visioenen, tijdens de zestiende verschijning, krijgt zij de naam Immaculée Conception te horen. Deze naam moet ook Bernadette vreemd in de oren hebben geklonken. De betekenis ‘Onbevlekte Ontvangenis’ is afkomstig uit de rooms-katholieke geloofstaal, verwoord in het dogma dat door paus Pius IX in 1854 werd afgekondigd. Met dit dogma werd de heiligheid van Maria als degene die de zoon van God gebaard had, benadrukt. De naam Immaculée Conception is dus één van de namen waarmee in de rooms-katholieke traditie Maria wordt genoemd. Daarom kan het visioen van Bernadette als een Mariaverschijning worden geïnterpreteerd en wordt er dus een verbinding gelegd tussen deze manifestatie van het mysterie en de godsdienstige traditie. Maar wie het alleen bij een Mariaverschijning wil laten doet aan het bijzondere karakter van deze verschijningen tekort. De voorkeur van Bernadette zelf gaat duidelijk uit naar de naam: ‘dame in het wit’. Daar komt nog iets bij. Zij wil eigenlijk beide namen, zowel ‘dame in het wit’ als ‘Immaculée Conception’ voor anderen verborgen houden. Het overweldigend karakter van de eerste verschijning kan zij echter niet, voor de beide meisjes die met haar waren meegegaan, voor zich houden. Zij vertelt wat zij gezien heeft, maar de andere meisjes mogen het niet verder vertellen. In een brief uit 1864 scherpt zij deze situatie nog aan als zij schrijft: ‘Ik wilde (het) hun niet zeggen, maar zij drongen zo aan, dat ik besloot het hun te vertellen, maar onder voorwaarde, dat zij er met niemand over zouden spreken. Zij beloofden mij het geheim te bewaren, maar nauwelijks thuisgekomen haastten ze zich om het te zeggen, dat ik een Dame had gezien in het wit gekleed’.[8] De naam ‘Immaculée Conception’ geeft ‘de dame in het wit’ kennelijk ook niet gemakkelijk prijs, want Bernadette moest er telkens om vragen en tijdens de zestiende verschijning, toen zij er vier keer om vroeg, zoals zij opschreef in haar verhaal over de grot in 1866[9], kreeg zij deze naam te horen. Als de omstanders vragen of zij de naam van de verschijning weet, antwoordt zei: ‘Zeg het niet, maar ze heeft tegen mij gezegd: Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis’.[10] Uit dit soort reacties blijkt dat integrerende spiritualiteit zich afspeelt in een sfeer van verhulling en onthulling tegelijk. De taal van het mysterie wil verhulling en de geloofstaal openbaring en onthulling. Ook in de bijbel zijn talloze passages te vinden van deze spirituele dubbelheid, zie bijvoorbeeld de openbaring en verhulling van de Godsnaam in het verhaal van de roeping van Mozes in Exodus 3. In het Nieuwe Testament komt dezelfde dubbelheid aan het licht als Jezus in het openbaar optreedt, maar tegelijkertijd maant niet te spreken over Hem als de Christus (Matteüs 9:30-31, 12:15-21, 16:20, Marcus 3:12, 8:29-30, 9:9, Lucas.4:41, 8:56).

 

Het interpreteren van een spirituele ervaring vanuit de godsdienstige traditie loopt het risico de spirituele dimensie te verliezen, wat bijvoorbeeld kan gebeuren in de afkondiging van dogma’s en het gebruik van dogma’s. Integrerende spiritualiteit brengt nadrukkelijk het geheim van de naam in de geloofstaal. Omgekeerd loopt een interpreteren vanuit het mysterie het risico de geloofsdimensie te verliezen. Deze dimensie is in de brief van Bernadette nadrukkelijk aanwezig. Ik heb dat aangetoond door vergelijkingen met bijbelgedeelten. De geloofsdimensie bestaat in haar interpretatie verder uit verwijzingen naar christelijke geloofsinhouden en de beschrijving van de ontmoeting met het mysterie in de vorm van dialoog, waarin het horen als geloofsdimensie bij het zien betrokken wordt. De inhoud van dat horen, zo blijkt uit haar brief, bestaat, zoals in alle bijbelse en christelijke spiritualiteit, uit het gehoor geven aan de opdracht en taak, die uit deze ontmoeting voortvloeit.

 

5. Opdracht

De dame in het wit geeft Bernadette een aantal opdrachten, namelijk: 1. gedurende vijftien dagen naar de grot te komen, 2. de boodschap aan de geestelijkheid van Lourdes overbrengen een kapel te bouwen op de plaats van Massabielle en het organiseren van processies, 3. het vinden van en drinken uit een bron, 4. bidden voor de bekering van de zondaars, 5. het bewaren van drie geheimen. Zonder aarzeling voert zij de opdrachten uit, hoewel deze voor haar grote problemen met zich meebrengen. Velen, waaronder haar zusje en haar vriendinnetje, haar ouders en de politie proberen haar te verhinderen naar de grot te gaan. De geestelijkheid reageert buitengewoon negatief op het verzoek een kapel te bouwen. De omstanders die haar het modderige water uit de bron zien drinken verklaren haar voor gek. Ondanks de negatieve reacties uit haar omgeving voert zij de opdrachten uit. De verklaring van deze daadkracht ligt in de alles overstijgende relatie met degene die zij in haar visioen ontmoet. Zij is bereid om alles op het spel te zetten, zoals de band met haar familie en de pastoor en met vele anderen waarmee zij te maken heeft, met als doel de band met ‘de dame in het wit’ niet te verspelen. In talloze bijbelse verhalen is deze spirituele daadkracht te herkennen van de bevrijdingsonderneming van Mozes in Egypte tot en met de zendingsreizen van de apostel Paulus.

 

Een integrerende spiritualiteit valt dus, wat de genoemde beschreven kenmerken in de brief van Bernadette betreft, te herkennen aan: het objectief spirituele karakter, de bijbelse verhaalstijl, de methodische aanpak van zien naar horen, het tot uitdrukking komen van het spanningsveld tussen mysterie en geloof in de beschrijving van de naam van de ander in de ontmoeting, en de beschrijving van de opdrachten en taken die uit deze ontmoeting voortvloeien.

 

2 Bernadette tussen mysterie, godsdienstige traditie en wetenschap

 

Ik heb Bernadette een spiritueel wonderkind genoemd. Want met haar jeugdige leeftijd van 14 jaar bleek zij spiritueel stand te kunnen houden in het krachtenveld van mysterie, godsdienstige traditie en wetenschap. Gedreven door een kennelijk buitengewoon sterke innerlijke kracht, in haar brief uit 1861 aangeduid met: ‘ik voelde mij innerlijk daartoe gedrongen’[11] wist zij de vaak immense zuigkracht van de in de westerse cultuur niet tot elkaar te herleiden en met elkaar in concurrentie staande entiteiten van mysterie, godsdienstige traditie en wetenschap te weerstaan. Zij had zich gemakkelijk in het ‘kamp’ van het mysterie kunnen begeven. Het werd haar al, tijdens de eerste verschijningen, aangeboden. Zij was dan een medium geworden, zoals er ook in onze tijd verschillende zijn, die zich als medium gedragen, als degenen die bemiddelen tussen de alledaagse werkelijkheid en de goddelijke wereld. Zij wees dat aanbod af. De wetenschap probeerde haar tot een ziektegeval te maken of haar als bedriegster te ontmaskeren en de kerk maakte haar tot een heilige. Bernadette bleef echter wie zij was: een door armoede fysiek zwak kind en jonge vrouw, maar met een nuchter en helder verstand, slim, oprecht en eerlijk en adoratie door anderen wees zij van de hand. Het is eigenlijk verbazingwekkend dat zij in het spel van de machten en krachten, die in haar milieu speelden, niet onderuit gehaald werd. In het schema van de drie discoursen kan dat als volgt worden weergegeven, waarin de pijlen duiden op de zuigende werking van deze entiteiten. 

Voor Bernadette waren deze maatschappelijke machten en krachten vertegenwoordigd in bepaalde personen waar zij mee te maken kreeg. Het waren zeer verschillende mensen, die zich beriepen, of op bijzondere contacten met de goddelijke wereld, of op kerkelijke verantwoordelijkheid en gezag, of op wetenschappelijke integriteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid. In het volgende hoofdstukje zullen hun interpretaties van het visioen van Bernadette ter sprake komen.

 

Interpretaties vanuit mysterie, godsdienst en wetenschap van het visioen van Bernadette

 

1. Interpretatie vanuit mysterie, Jeanne Marie Milhet en Antoinette Peyret

 

In 1857, een jaar voorafgaande aan het visioen van Bernadette, ontwikkelde de Franse pedagoog Hyppolyte L.D.Rivail onder het pseudoniem Allan Kardec een interpretatiemethode van het mysterie. Hij gaf aan deze methode de naam spiritisme. Naar aanleiding van de bestudering van vele verschijnselen, met name boodschappen, die uit een andere werkelijkheid leken te komen,  kwam hij tot de conclusie van het bestaan van een niet-materiële geestelijke wereld. Samengevat beschreef hij deze als volgt. De niet-materiële wereld wordt bevolkt door talloze geesten, goede geesten, misleidende geesten en slechte geesten. Een geest kan zich materialiseren in een lichaam, bijvoorbeeld in dat van een mens. De geest incarneert dan in het leven van een mens, om na de dood van het lichaam weer terugkeren in de geestenwereld. Deze interpretatiemethode veronderstelt dus dat de menselijke persoonlijkheid na de dood blijft voortbestaan. Het spiritisme noemt sterven een overgang van een lichamelijk - geestelijk bestaan  naar een louter geestelijke bestaan. De geest van een overledene kan echter contact zoeken met nabestaanden, die nog in leven zijn. Voor dat contact zoekt de geest iemand, die ontvankelijk is voor datgene wat de geest wil meedelen. Zo iemand is dan een medium. Een medium bemiddelt dus tussen de geestenwereld en de alledaagse wereld. Deze bemiddeling kan met verschillende methoden, zoals bijvoorbeeld automatisch schrijven (psychografie), waarbij de geest het medium dicteert, of door automatisch spreken (psychografie), of door het aanhoren van de boodschap door het medium en de inhoud vervolgens aan anderen mee te delen (doorgevingen). De publicatie van Allan Kardec in 1857 onder de titel Le livre des esprits werd in korte tijd zeer populair. In 1861 volgde een tweede boek van hem onder de titel Le livre des mediums. In de loop van de 19e eeuw nam de belangstelling voor deze interpretatiemethode van het mysterie af. In het begin van de 20e eeuw volgde een opleving, evenals op het einde van die eeuw. Zowel in het discours mysterie en godsdienst als in het discours mysterie en wetenschap stuitte het spiritisme op heftige bestrijders. Daarom probeerde het spiritisme zich ten aanzien van het geloof te legitimeren aan de hand van bijbelgedeelten, bijvoorbeeld voor reïncarnatie met de uitspraak van Jezus ‘Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien ….. Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest’ (Johannes 3:3–5). Ten aanzien van wetenschap probeerde het spiritisme zich aannemelijk te maken door de toepassing van rationele onderzoekmethoden. De interpretatiemethode van het spiritisme won in de tijd van Bernadette snel aan populariteit. Bovendien sloot deze visie nauw aan bij het volksgeloof in de Pyreneeën. Ook Bernadette werd met deze methode geconfronteerd. Hoe reageerde zij daarop?

 

In Lourdes woonde een welgestelde 41jarige weduwe Jeanne Marie Milhet. Samen met haar naaister Antoinette Peyret, had ze veel belangstelling voor het snel opkomende spiritisme. Daarmee hadden zij al het ongenoegen van de pastoor van Lourdes opgewekt. De moeder van Bernadette deed de was voor mevrouw Milhet. Toen deze vrouw hoorde van de gebeurtenissen bij de grot van Massabielle, een gebeuren waarvan het verhaal als een lopend vuurtje door geheel Lourdes ging, sprak zij de moeder van Bernadette daarop aan. Mevrouw Milhet had toen inmiddels haar interpretatie van het gebeuren al gemaakt. Nog niet lang geleden was een jonge vrouw Elisa Latapie overleden. Mevrouw Milhet had horen vertellen dat aan de dochter van haar wasvrouw een jonge in het wit geklede vrouw was verschenen. Dat kon de geest van Elisa wel eens zijn. Die geest had Bernadette als medium uitgezocht om wellicht aan haar, mevrouw Milhet, een boodschap uit de geestenwereld door te geven. Deze sterke vermoedens zette mevrouw Milhet aan tot actie. Zij vroeg de moeder van Bernadette toestemming om met haar dochter de grot te bezoeken. Na aanvankelijke weigering gaf de moeder toe. Een week na de eerste verschijning, op donderdag 18 februari 1958, ging Bernadette in alle vroegte, vergezeld door mevrouw Milhet en Antoinette Peyret naar de grot.  De vader van Antoinette Peyret werkte als griffier bij de rechtbank en wist op welke wijze belangrijke gebeurtenissen en boodschappen moesten worden vastgelegd: namelijk op schrift. Daarom had zij papier, inkt en een schrijfveer meegenomen. Toen verscheen ‘de dame in het wit’ aan Bernadette, maar de beide dames zagen niets. In het interpretatiemodel van het spiritisme is dat echter begrijpelijk, omdat alleen het begaafde medium het contact kan hebben met de geestenwereld. Al vanaf de eerste verschijning op 11 februari 1858 is duidelijk, zo blijkt uit het door Bernadette zelf geschreven verslag van 28 mei 1861, dat alleen zij de dame in het wit ziet: ‘Ik vroeg aan de andere twee kinderen of zij niets gezien hadden. Zij zeiden: 'nee'.’

 

De dames Milhet en Peyret merkten aan Bernadette dat zij wel iets zag. Zij gaven Bernadette het schrijfgerei en vroegen via haar de dame in het wit haar naam op te schrijven. Deze weigerde met de woorden: ‘dat is niet nodig’.[12] Daarop nam mevrouw Milhet het medium Bernadette in haar eigen huis op. Op die manier hoopte ze meer te weten te komen. Die verandering moet voor het meisje diepingrijpend zijn geweest, van het armoedig krot waar zij met haar ouders en de andere kinderen woonde, naar de weelderige woning van een van de rijkste vrouwen van Lourdes. Bernadette had de uitleg, die deze beide dames aan het gebeuren gaven, gemakkelijk kunnen accepteren. Hebben niet velen op deze wijze hun bijzondere gave als medium ontdekt, doordat hun omgeving hen daartoe de mogelijkheden verschafte? Er schuilt toch geen kwaad in de poging de gave van iemand te helpen ontplooien? Met respect en voorbijzien aan de lage status van dit kind, een status die in de toenmalige verhoudingen van de samenleving een grote rol speelde, gingen beide dames met Bernadette om. Zij waren overtuigd dat de geestelijke wereld er andere normen op nahield dan de samenleving waarin zij leefden. Zij namen geen aanstoot aan de armoede en het analfabetisme van dit veertien jarige meisje. Het mysterie had hen maatschappij kritisch gemaakt. Met zijn drieën hadden zij een spiritueel vrouwenbolwerk kunnen oprichten tegenover de arrogantie van een door mannen gedomineerde overheid, wetenschap en kerk. Ondanks het respect en het waarschijnlijk wederzijds vertrouwen en het grandioze aanbod, accepteerde Bernadette deze interpretatie van het visioen niet. Zij verliet de woning van mevrouw Milhet, toen haar tante Bernarde haar ophaalde, en ging naar huis, het krot waar zij woonde. Er waren echter ook anderen in Lourdes, die op hun manier de waarheid over Bernadette probeerden te achterhalen. Dat waren mensen, die zich beriepen op de wetenschap.

 

2. Interpretatie vanuit wetenschap, Jacomet, Dutour, Lacadé en Dozous

 

Drie dagen na de affaire met Milhet en Peyret, kwam Bernadette in aanraking met een geheel andere interpretatie van haar visioen. Direct na de vesperdienst in de kerk van Lourdes op zondag 21 februari werd zij door een politieagent aangehouden en voorgeleid voor een verhoor door de commissaris van politie. ’s Morgens was zij bij de grot geweest in gezelschap van haar 32jarige moeder Louise  Soubirous – Castérot en tante Bernarde, een oudere zuster van haar moeder, en een groep mensen, bestaande uit ongeveer honderd personen. Onder hen waren ook drie politieagenten. Deze hadden rapport over de toenemende volksoploop bij de grot uitgebracht aan commissaris Dominique Jacomet. In de literatuur staat hij beschreven als een intelligente en ijverige ambtenaar, die in hoog aanzien stond bij zijn superieuren. Belast met het handhaven van de openbare orde besloot hij 10 dagen na de eerste verschijning zich met de zaak te bemoeien. Hij had gehoord, zo blijkt uit de inleiding van zijn proces verbaal,[13] dat een meisje beweerde te praten met de Heilige Maagd bij de grot van Massabielle. Daarbij geraakte zij regelmatig in extase. Het bericht daarover had zich onder de bevolking verspreid en de eenvoudige en lichtgelovige mensen in opwinding gebracht. Zijn taak was het om de waarheid boven water te krijgen. Daarvoor had hij in zijn opleiding tot politiebeambte methoden geleerd, die berustte op de wetenschappelijke inzichten en maatschappelijke verhoudingen van die tijd.

 

De verhoormethoden in 1858 waren eigenlijk nog betrekkelijk eenvoudig. De wetenschappelijke psychologie, sociologie en pedagogiek stonden nog in de kinderschoenen (zie cdrom 2). Toch waren de verhoormethoden al aanzienlijk ‘moderner’ geworden, met name onder invloed van de nieuwe politieke verhoudingen tussen overheid en volk na de Franse revolutie en door de opkomst van de ‘Verlichting’ in Frankrijk. Zo werd fysieke druk tijdens een verhoor als inadequaat afgewezen. Martelen als methode om de waarheid boven tafel te krijgen was in principe afgeschaft. Zowel Jacomet als de officier van justitie Dutour pasten de martelmethode niet toe, of slechts in heel lichte vorm.  Dutour liet Bernadette, tijdens het verhoor op 25 februari, twee uur staan. Uit het proces verbaal van de commissaris, evenals uit de beschrijving van het verhoor door de officier van justitie,[14] blijkt dat zij vooral de methode toepasten van confrontatie met eigen uitspraken. Zij lieten een verdachte zijn verhaal vertellen en schreven dat op. Vervolgens las de ambtenaar de geschreven tekst voor, waarbij opzettelijk fouten werden gemaakt. Ontging de verdachte deze fouten, dan kon de ambtenaar concluderen dat de verdachte niet de waarheid had gesproken. De toepassing van deze verhoormethode bij het verhoor van Bernadette zal ongetwijfeld de bedoeling hebben gehad het meisje als leugenaarster te ontmaskeren. Dat gelukte niet. Het meisje wist de fouten telkens op uitstekende manier te corrigeren. In een door haar eigenhandig geschreven verslag uit 1866 van het verhoor op 21 februari 1858, schreef zij (door mij samengevat): ‘Na de kerkdienst werd ik opgepakt door een politieagent, die zei dat men mij de gevangenis zou laten zien. Hij liet mij in de kamer van de commissaris. Deze was alleen. Ik kreeg een stoel en ging zitten. Ik vertelde en hij schreef op. Daarna las hij het voor, of het klopte. Maar al vanaf het begin waren er fouten. ‘Meneer dat heb ik niet gezegd. Toen werd hij boos en zei dat ik dat wel gezegd had. Dat herhaalde zich. Het duurde meer dan een uur. Tijdens het verhoor hoorde ik mannen buiten roepen: ‘Als u haar niet laat gaan, slaan wij de deur in’.[15] De commissaris had het kennelijk zelf ook niet gemakkelijk. Hij moest de volkswoede weerstaan en onder deze moeilijke omstandigheden de waarheid zien te vinden. Hij had tot de conclusie kunnen komen, naar aanleiding van de door hem toegepaste verhoormethode, evenals de officier van justitie, dat zij de waarheid sprak. Toch was dat onmogelijk, want zij beschikten niet over middelen en methoden voor waarheidsvinding, die pasten bij een visioen. De beambten beschikten echter over meer verhoormethoden, zoals het afvuren van een spervuur van vragen, in de verwachting de verdachte op foute antwoorden te kunnen betrappen. Op grond van het proces verbaal van het verhoor van Jacomet op 21 februari maakte R. Laurentin de volgende constructie van het begin van dit verhoor.

 Jij heet….?

Bernadette.

Bernadette wat…?

Soubirous.

Je vader….?

François.

Je moeder….?

Louise.

Hoe oud ben je?

13 of 14 jaar.

Is het 13 of 14?

Dat weet ik niet.

Kun je lezen?

Nee, meneer.

Schrijven…?

Nee, meneer.

Heb je je eerste communie gedaan?

Nee, meneer.

Nou dan Bernadette, jij ziet de heilige Maagd?

Ik zeg niet dat ik de Heilige Maagd gezien heb.

Juist, ja! Jij hebt niets gezien!

Jawel, ik heb wel iets gezien.

Nou, wat heb je dan gezien?

Iets wits.

Iets of iemand?

‘Dat’ heeft de vorm van een jongedame.

En ‘dat’ heeft niet tegen je gezegd: Ik ben de Heilige Maagd?

‘Die daar’ heeft het niet tegen me gezegd.

Toch zeggen ze dat wel in de stad.

Waren er nog andere meisjes bij toen je dat zag?

Ja, meneer.

Hebben zij het ook gezien?

Nee, meneer.

Hoe weet je dat?

Ze hebben het me gezegd.

Waarom hebben zij het niet gezien?

Ik weet het niet.

Is ze mooi?

O, ja, meneer, heel mooi!

Zo mooi als…… mevrouw Pailhasson, of als …. juffrouw Dufo?

Ze kunnen er niet aan tippen!

Hoe oud?

Jong.

Is het deze dame (bedoeld is mevrouw Milhet), die tegen je zegt wat er moet gebeuren?

Nee.

Maar je woont bij haar!

Nee, ik ben weer thuis.

Sinds wanneer?

Gisteren.

Waarom?

Mijn tante wilde niet dat ik er naar terugging.

Heeft zij je veel geld gegeven, mevrouw Milhet?

Geen geld.

Ben je daar zeker van?

Ja meneer, heel zeker.

En de zusters (van het klooster), heb je er met de zusters over gepraat?

Ja, met de moeder-overste en met de zuster die ons naailes geeft.

Wat hebben ze je gezegd?

Je hebt gedroomd.

Ze hebben gelijk, de zusters.

Ja, je hebt gedroomd.

Nee, ik was heel goed wakker.

Je hebt gedacht iets te zien.

Nee, ik heb verschillende keren mijn ogen uitgewreven en ik zag ’t alsmaar.

Je hebt slechts een flits gezien.

Maar het was donker.

Beken maar, dat je je vergist hebt.

Ik kan niets anders zeggen.

Luister Bernadette, iedereen lacht je uit.

Ze zeggen dat je gek bent. In je eigen belang, je moet niet meer naar deze grot teruggaan.

Ik heb beloofd er heen te gaan, veertien dagen lang.[16]

 

Bernadette duidde, zo blijkt uit het proces verbaal van Jacomet en uit deze constructie van het verhoor, de inhoud van haar visioen, de dame in het wit, regelmatig aan met: die daar, of dat daar. In haar dialect gebruikte zij daarvoor het woord: aquerò, uit te spreken als akéro. Terwijl anderen in haar omgeving beweerden dat zij de Heilige Maagd gezien had, bleef zij in de verhoren bij haar uitspraak: ‘ik weet niet wie het is’. Zelfs duidde ze de verschijning niet aan met een persoonsnaam, maar met het vage en neutrale woord aquerò. Met dit taalgebruik duidde zij iets of iemand aan, waarvoor eigenlijk geen woorden kunnen worden gevonden voor een beschrijving. Onbeschrijfelijk was tevens de schoonheid van de dame in het wit. Een vergelijking met twee, volgens de commissaris, beeldschone dames in Lourdes, wees Bernadette als belachelijk van de hand. Met haar vasthoudend gebruik van het woord aquerò in het verhoor bleef zij bij haar eigen spirituele interpretatie van haar visioen en weerstond zij andere mogelijkheden. En die waren er genoeg. De commissaris confronteerde haar met enkele door haar omgeving aanreikte interpretaties. Dat is nog steeds een toegepaste verhoormethode, waarbij redelijke argumenten en oplossingen door familie of goede kennissen van de verdachte aan deze worden voorgehouden, met de veronderstelling dat de verdachte ze zal overnemen. De zusters hadden aan Bernadette uitgelegd dat het waarschijnlijk een droom was en anderen waren overtuigd dat zij de Heilige Maagd gezien had. Maar zij verwierp beide interpretaties. Voor wat de droominterpretatie betreft zei ze eenvoudig: ‘ik heb verschillende keren mijn ogen uitgewreven en ik zag ’t alsmaar’. Voor wat de Heilige Maagd betreft antwoordde ze: ‘ik zeg niet dat ik de Heilige Maagd gezien heb’. In het proces verbaal voegde Jacomet daar nog een derde mogelijkheid aan toe: het kind hallucineerde. Volgens hem waren de zusters uiteindelijk ook tot deze conclusie gekomen en hadden het meisje geadviseerd niet te veel aandacht aan deze zaak te besteden.

 

Uit de verhoren blijkt dat Jacomet en Dutour integere en betrouwbare ambtenaren waren, die zich hielden aan de wet, aan de in die tijd geldende omgangsnormen met verdachten, en die beschikten over voor die tijd gangbare en vakkundige verhoormethoden. De Franse wet kende een hallucinerend meisje niet als een strafbaar feit. Daarom gingen de commissaris van politie en de officier van justitie niet over tot vervolging, al bleven zij zitten met het probleem van de volksoploop bij de grot van Massabielle. Deze verhoren waren voor de spiritualiteit van Lourdes van groot belang. Bedrog en het nastreven van verborgen belangen, zoals economisch en maatschappelijk gewin, waren met deze verhoren waarschijnlijk aan het licht gekomen. In ieder geval was het risico daarvan aanzienlijk verminderd. Toetsing met behulp van wetenschappelijke methoden is voor  spiritualiteit niet onbelangrijk, omdat alles wat uit de sfeer van het mysterie komt ongrijpbaar is en daardoor gemakkelijk te manipuleren. Het spirituele wonderkind in al haar jeugdige kwetsbaarheid doorstond deze niet geringe wetenschappelijke beproeving.

 

Maar er waren nog anderen, die zich vanuit de toen heersende cultuur van ‘rede en verlichting’ met deze zaak bemoeiden. Eén van hen was burgemeester Lacadé. Zijn bemoeienis ontstond na de negende verschijning op donderdag 25 februari 1858. Enige honderden mensen waren toen getuige van wonderlijke gebeurtenissen bij de grot. Zij zagen Bernadette in de grond van de grot graven. Er kwam wat troebel modderig water naar boven. Het meisje dronk daarvan, tot ontzetting van de omstanders. Bovendien begon ze enkele plantjes, die bij de grot stonden, op te eten. De aanwezigen kwamen tot één conclusie. Het arme kind was gek geworden. Anders gezegd: het kind werd door wanen bevangen. Voor Bernadette zelf was de situatie echter volstrekt normaal. Zij vertoonde dit gedrag omdat ‘de dame in het wit’ haar opdroeg water uit de grond van de grot te drinken en de plantjes te eten. De opdracht, die ‘de dame in het wit’ haar gaf, was voor haar belangrijker dan de reactie van de aanwezigen. Het spirituele, voortkomend uit de sfeer van het mysterie, en de daarmee verbonden daadkracht kan door buitenstaanders als waan worden geïnterpreteerd en door de betrokkene als volstrekt normaal worden ervaren.  De door Bernadette ontdekte bron kwam echter al spoedig in een ander licht te staan, toen bleek dat een doodziek kind, gedompeld in het water van de bron, genas. Binnen vier dagen genazen drie zieken, die met het water uit de bron in aanraking waren gekomen.[17] Toen sloeg de publieke opinie om en werd het aanvankelijk voor gek verklaarde meisje voor de aanwezigen een heilige, die wonderen verrichtte. De burgemeester wilde aan deze publieke gekte een einde maken, temeer daar de nationale pers aan de ene kant spotte met de bijgelovigheid van de bewoners van Lourdes en aan de andere kant de regering in Parijs te schande zette vanwege de kennelijke verwaarlozing van het zuiden van het land, waardoor er nog zulke achterlijke toestanden bestonden. Lourdes was de oorzaak geworden van een politieke rel. Lacadé schakelde op zijn manier de wetenschap in, door niet de zieneres, maar het water uit de door haar ontdekte bron te laten analyseren. Want, zo overwoog de burgemeester, het kon bijzonder, wellicht geneeskrachtig water zijn. Van Lourdes kon dan een kuuroord worden gemaakt en het verhaal van de ontdekking van de bron kon dienen als reclamestunt. M. Latour, een apotheker in Trie zag wel wat bijzonders in het water en schreef de burgemeester dat een thermaalbad zeker tot de mogelijkheden behoorde. Helaas voor de voortvarende bestuurder van Lourdes werden zijn bevindingen enige tijd later door een grondige analyse van het water door M. Filhol weerlegd. Deze kwam tot de conclusie dat het heel gewoon water was. Daarmee was de optie van een kuuroord van de baan. Lourdes werd een bedevaartsplaats.

 

Docteur DozousOok van de kant van de medische wetenschap bestond belangstelling. In onze tijd zou het medisch onderzoek zich richten op de neurologische werking van het brein, met name van de posterior superior pariëtaalkwab en de slaapkwabben, met behulp van een hersenscanner.[18] In die tijd zochten artsen voor een medische verklaring van een visioen in bepaalde ziektebeelden, zoals hysterie, zwakzinnigheid in klinische zin en aandoeningen van het zenuwgestel. De gemeentearts Pierre Romain Dozous, die Bernadette kende als astmapatiënte, was aanwezig bij enkele verschijningen. Daarbij voelde hij de pols en bepaalde de hartslagfrequentie, deed enig oogonderzoek, onder meer naar de pupilvergroting, maar kon uiteindelijk geen bijzondere afwijkingen vaststellen. Hij concludeerde dat zij, op de astma na, een gezond kind was, dat normaal at, sliep en actief was. Hij constateerde geen nerveuze aandoeningen, zoals  hoofdpijn. Hij was bijzonder onder de indruk van een gebeurtenis, die zich voordeed tijdens de 17e verschijning op woensdag 7 april 1858. Toen onderzocht hij Bernadette terwijl zij bij de grot in extase was. In haar hand had zij een kaars, waarvan zij het vlammetje met de andere hand beschermde tegen de wind en waarvan de vlam gedurende een kwartier, zo noteerde de arts, haar hand raakte, zonder dat dit haar kennelijke pijn deed. Na afloop onderzocht hij haar hand, zonder een spoor van brandwonden te vinden. Dozous nam het fenomeen waar, maar kon er geen wetenschappelijke verklaring voor geven, evenals van enkele patiënten, die hij later op zijn spreekuur kreeg en waarvan hij de genezing constateerde, nadat zij met het water uit de bron van Massabielle in aanraking waren geweest. Ook dit medisch onderzoek was voor Lourdes belangrijk, omdat visioen en waan vlakbij elkaar kunnen liggen. Het vaststellen van de geestelijke gezondheid van Bernadette, met de toen beschikbare middelen en medische kennis door de gemeentearts, was voor de ontwikkeling van Lourdes als een ‘gezond’ spiritueel centrum zeker van belang. Voor de medicus Dozous betekende dit een verkenning van de grenzen van medisch handelen en inzicht, waarbij hij de grens erkende tussen wetenschap en mysterie.   

 

3. Interpretatie vanuit godsdienstige traditie, Peyramale en Laurence

 

Het aantal mensen dat de bezoeken van Bernadette aan de grot bijwoonde nam gestaag toe. Op zondag 21 februari zagen ongeveer 100 aanwezigen het meisje in extase. Dat aantal nam in de week daarna fors toe tot over de 1000 een week later op zondag 28 februari tijdens de elfde verschijning. Enkele dagen later op donderdag 4 maart bereikte de menigte tijdens de vijftiende verschijning een hoogtepunt van ongeveer 8000 personen. Onder de aanwezigen waren haar familieleden en kennissen, maar ook politieagenten, ook de commissaris en de officier van justitie kwamen een keer kijken, en daarnaast veel volk uit alle rangen en standen. Maar de kerkelijke leiders lieten verstek gaan. Eén keer was er een kapelaan onder de toeschouwers. Verder werd er geen geestelijke gezien. En zeker niet de pastoor van Lourdes Peyramale. Hij hield zich afzijdig van het gebeuren bij de grot.

 

Ik kan mij deze houding van de pastoor heel goed voorstellen.  Je weet nooit wat er uit de sfeer van het mysterie komt. Het kan echt zijn, maar in de meeste gevallen is het gemanipuleerd. Er waren in zijn tijd verschillende kinderen, die vertelden dat zij Maria hadden gezien, zoals er in onze tijd verschillende optredende mediums zijn. Jaren lang werd ik om de hoek van de deur met dat verschijnsel geconfronteerd, toen Jomanda naast ons huis, drie keer per week een duizendkoppig publiek trok naar haar bijeenkomsten, die vele trekken vertoonden van een pseudo-Lourdes.  Regelmatig stond er rondom onze woning, van voor naar achteren, een dikke rij mensen, zodat wij nauwelijks de woning konden verlaten. Als ik in de woonkamer zat te lezen staarden honderden ogen mij aan, van mensen, die langzaam voorbij schuifelden, verlangend om het heiligdom van het medium Jomanda, gelegen achter onze twee meter hoge ligusterhaag van de achtertuin, te betreden. Negeren is dan de beste houding. Een enkele keer ben ik even wezen kijken in de hal van Jomanda, zoals een collega van pastoor Peyramale op onderzoek uitging.[19] Je moet toch wel weten wat er aan de hand is. Ik geef mijn collega uit 1858 echter groot gelijk er verder geen aandacht aan te besteden. Want voor je het weet word je meegezogen in een spel van bedrog en intrige en bezorg je de kerk als geestelijk ambtsdrager alleen maar schade. Er werd toen, zoals ook in onze tijd, veel spirituele onzin verteld en verkocht. Jarenlang hadden de mensen in het ‘verlichte’ Frankrijk in de eerste helft van de 19e eeuw de spirituele dimensie verwaarloosd. Op het moment dat ze er weer belangstelling voor kregen, lagen ze, vanwege weinig kennis en ervaring met deze materie, open voor elk spiritueel virus dat maar rondwaarde. In onze postmoderne tijd als reactie op de moderniteit is het niet anders. Voor een geestelijk ambtsdrager en kerkelijke voorganger is dan voorzichtigheid geboden. Zoveel mogelijk negeren is in deze situatie een goede strategie. De tijd zal wel leren wat echt is en wat niet. Deze houding heb ik tien jaar volgehouden. Toen vertrok Jomanda en de spirituele gekte rondom onze woning ebde weg.   

 

Er was echter minstens één groot verschil tussen het echte Lourdes en het namaak Lourdes in Tiel. De zieneres van Lourdes kwam na de dertiende verschijning op dinsdag 2 maart 1858, waarbij 1300 personen aanwezig waren, naar pastoor Peyramale toe met een boodschap van de dame in het wit. Jomanda is nooit naar mij toegekomen, noch naar mijn collega’s in Tiel. Wat dat aangaat werd ik niet voor het blok gezet, zoals Peyramale. De dame in het wit had Bernadette opgedragen naar de priesters te gaan met de boodschap bij de grot van Massabielle een kapel te bouwen en het organiseren van processies. De pastoor reageerde, zoals ik waarschijnlijk ook gereageerd zou hebben als buurvrouw Jomanda bij mij op de stoep had gestaan. Hij moest zich onverwachts een houding bepalen tegenover iets dat hij liever op afstand hield. De overlevering van dat bezoekje laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De pastoor reageerde uiterst negatief. Laurentin maakte een reconstructie van het gesprek tussen Peyramale en Bernadette. Volgens hem begon dat gesprek als volgt.

Jij gaat naar de grot?

Ja, meneer pastoor.

En jij zegt dat je de heilige Maagd ziet.

Ik heb niet gezegd dat het de heilige Maagd is.

Nou, wat is het dan, deze dame?

Ik weet het niet.

Ah, je weet het niet! Leugenaarster!

Degenen die jij achter je aan doet lopen, zeggen het wel en de krant drukt het af dat jij beweert de heilige Maagd te zien. Nou, wat zie je?

Iets, wat op een dame lijkt.

Iets![20]

Op deze wijze ging het gesprek nog even door, totdat de pastoor het meisje de deur wees met de waarschuwing niet meer terug te komen. Luttele minuten later stond het meisje echter weer bij hem op de stoep. Ze had de boodschap van ‘de dame in het wit’ niet correct overgebracht. Ze had wel het bouwen van een kapel genoemd, maar het organiseren van processies was zij vergeten te vertellen. Die fout kwam ze, waarschijnlijk met knikkende knieën en kloppend hart bij de pastoor herstellen. De opdracht van ‘de dame in het wit’ woog kennelijk voor haar zwaarder dan de confrontatie met die in haar ogen vreselijke pastoor. Twee dagen later, na de vijftiende verschijning, op donderdag 4 maart, moest zij opnieuw dezelfde boodschap bij de pastoor gaan brengen. Deze reageerde zoals eerst. Hij wilde weten wie de dame was.

 

Wil het mysterie op het terrein van de godsdienst een kans maken, dan moet er onthuld worden. De moeilijkheid is echter dat het mysterie dan geen mysterie meer is. Of om met een andere metafoor hetzelfde te zeggen: indien een mysterie naam en inhoud krijgt houdt het op mysterie te zijn. Of om hetzelfde theologisch tot uitdrukking te brengen: als God, de Gans Andere, zich openbaart in een mens, genaamd Jezus, houdt het gans anderszijn op. Tenzij de naam verhullend en onthullend tegelijk is, zoals in het Oude Testament de combinatie van de verhullende naam uitgedrukt in vier consonanten en de onthullende naam van de God van de aartsvaders, of de God van Israël. In het Nieuwe Testament wordt de onthullende naam van de Joodse mens Jezus verbonden met de verhullende titel Messias of Christus. Tijdens de zestiende verschijning op donderdag 25 maart 1858, dus ruim drie weken na de vorige, kreeg Bernadette van ‘de dame in het wit’ een voor haar verhullende naam te horen, die echter voor de pastoor onthullend was: Immaculée Conception. Voor Bernadette kreeg deze naam nauwelijks betekenis, ook later, toen ze ingetreden was in het klooster Saint Gildard in Nevers niet. Zij bleef met voorkeur spreken over ‘de dame in het wit’.[21] Zij twijfelde niet aan de echtheid van haar visioen, met of zonder onthullende naam. Voor de pastoor maakte deze naamgeving wel wat uit. Plotseling kwam het mysterieuze gebeuren bij de grot in het licht te staan van de gebruikelijke geloofstaal. Daar kon de pastoor niet omheen en hij vroeg om raad, zoals dat in de Rooms Katholieke Kerk gebruikelijk is, aan zijn superieur Mgr. Bertrand Sévère Laurence, bisschop van Tarbes.

 

Mgr LaurenceAanvankelijk vroeg bisschop Laurence aan Peyramale het meisje af te houden van bezoeken aan de grot van Massabielle. Dat was op 11 april 1858. Drie weken later verliet Bernadette op zijn verzoek Lourdes en verbleef zij bij familie in Cauterets, een plaatsje 30 km. ten zuiden van Lourdes. Misschien probeerde de bisschop haar daadoor te belemmeren naar de grot te gaan, of deed hij een poging het meisje tot rust te laten komen. Begin juni was zij echter weer terug in Lourdes. Kort na de laatste verschijning, de 18e in de reeks visioenen, op vrijdag 16 juli 1858 overlegde Laurence met enkele collega’s. Deze kwamen tot het besluit een onderzoekscommissie in te stellen. De commissie was samengesteld uit leden van het Kapittel van de Kathedraal, hoofden van Groot en Klein seminarium, het hoofd van de diocesane missionarissen, de pastoor van Lourdes en enkele hoogleraren waaronder een theoloog en een fysicus. Het onderzoek richtte zich onder meer op de echtheid van de verschijning in het visioen, of het visioen als een natuurlijke of bovennatuurlijke zaak zou kunnen worden uitgelegd, de effecten die het water uit de bron van Massabielle had op mensen, die er gebruik van hadden gemaakt en op welke wijze deze gevolgen konden worden geïnterpreteerd, of de bron wel of niet bestond voor de gebeurtenissen op en na 11 februari 1858, en of de verzoeken en wensen van het visioen wel of niet door anderen bij Bernadette waren ingefluisterd. Over dit soort vragen hoopte de commissie helderheid te krijgen door getuigen, waaronder Bernadette zelf, onder ede te verhoren, adviezen in te winnen van verschillende deskundigen, van dogmatici tot geologen, en door het verzamelen en interpreteren van zoveel mogelijk feiten. Vier jaar later kwam het resultaat gereed en op 18 januari 1860 legde Mgr. Laurence een verklaring af. Daarmee gaf de Rooms Katholieke Kerk een officiële interpretatie van het visioen van Bernadette en van de gebeurtenissen in Lourdes.

 

De kerk verklaarde het visioen voor echt in de zin van een verschijning van Maria Immaculée Conception aan Bernadette op 11 februari 1858 en volgende dagen. De uitdrukking ‘echt verschenen’ moet hier opgevat worden als herkenbaar echt binnen de geloofstraditie van de Rooms Katholieke Kerk. De protestantse geloofstraditie, waartoe ik zelf behoor, kent deze katholieke traditie niet. De Protestantse Kerk kent ook niet een traditie waarin mensen met visioenen, omringd door opvallende gebeurtenissen, zoals bij Bernadette, een bijzondere status in de kerk krijgen. Op 8 december 1933 werd Bernadette door paus Pius XI heilig verklaard. Heiligen spelen binnen de kerk van Rome een rol, die protestanten niet kennen. Daarmee is niet gezegd dat er door protestanten geen bijzondere waardering voor Bernadette kan worden opgebracht. Ik heb haar getypeerd als een spiritueel wonderkind. Wonderkinderen laten op bijzondere wijze zien, datgene wat velen ook in hun leven kennen. Het componeren en uitvoeren van muziek was een bijzondere gave van Mozart, maar hij was niet de enige. Wiskundig rekenen was een opvallende gave van Einstein, maar hij was niet de enige die aan wiskunde deed. Op dezelfde wijze is spiritualiteit voor velen herkenbaar. In wonderkinderen komt deze bij velen aanwezige gave echter op bijzondere wijze tot uitdrukking. Daarbij speelt de persoon zelf een grote rol. Uit de verschillende brieven, die Bernadette als kloosterzuster in Nevers schreef, blijkt zij een gewone vrouw te zijn, met goede en minder goede eigenschappen. Zij kon in de familiekring behoorlijk autoritair optreden, wat overigens samenhing met haar positie als oudste kind en een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Uit haar brieven blijkt dat zij gauw licht geraakt kon zijn en soms behoorlijk koppig.[22] Daarnaast had zij bijzondere eigenschappen, die met haar spiritualiteit samenhingen. De verklaring van bisschop Laurence legt grote nadruk op deze eigenschappen en krijgt daardoor ook voor mensen, die niet tot de katholieke traditie behoren, betekenis. De bisschop verklaarde dat haar oprechtheid niet in twijfel getrokken kon worden. Verder schreef hij over haar onder meer het volgende. Wie haar ontmoet kan alleen eenvoud, openheid en eerbaarheid in dit kind vinden. Terwijl iedereen om haar heen praat over de wonderen, die zich aan haar openbaarde, blijft zij stil. Ze spreekt alleen wanneer haar wat gevraagd wordt en in haar antwoorden relateert ze alles zonder aanstellerij en met een treffende eenvoud. Ze beantwoordt de vragen zonder aarzeling, duidelijk, precies, passend en met een duidelijke overtuiging. Haar antwoorden zijn altijd overeenkomstig met haar eigen verklaringen. Zij heeft een rustig voorstellingsvermogen en haar religieuze gevoel is niet overdreven en vertoont geen ziekelijke nijgingen.

 

Zes jaar na de verklaring van bisschop Laurence kwam de crypte van de kerk, gebouwd boven de grot van Massabielle, gereed. De crypte is het huidige middengedeelte van de drie kerken, die boven elkaar zijn opgetrokken. In 1872 kwamen de bedevaarten op gang, die in onze tijd een omvang hebben bereikt van 5 miljoen mensen per jaar, waaronder 400.000 jongeren. In 1876 kwam de bovenbasiliek gereed en in 1889 de onderste kerk, de basiliek van de Rozenkrans. Latere kerkgebouwen volgden waaronder de ondergrondse basiliek Pius X, die ruimte biedt aan 20.000 mensen en de Bernadettekerk, gebouwd recht tegenover de grot op de plaats waar het meisje haar laatste visioen beleefde. De betekenis van deze activiteiten van de kerk moeten niet onderschat worden. Zonder de bouw van de kerk boven de grot van Massabielle, zonder het organiseren van processies en bedevaarten en zonder de gestaag groeiende kerkelijke organisatie daarom heen, was de bijzondere spiritualiteit van dit spirituele wonderkind waarschijnlijk verloren gegaan en onbekend gebleven in de Europese cultuurgeschiedenis. Aan de andere kant vormt deze kerkelijke bemoeienis een gevaar voor de zuiverheid van deze spiritualiteit. Het is het gevaar van een kerkelijke geloofstraditie, waarin de helderheid van de geloofsvoorstellingen dominant dreigt te worden ten opzichte van het mysterie karakter van de spiritualiteit. Bernadette zelf verzette zich tegen een al te grote zuigkracht van de kerkelijke traditie.

 

Op 4 juli 1866 verliet zij Lourdes. Enige weken daarvoor had bisschop Laurence, op 19 mei, de crypte ingewijd. Daarmee was haar spirituele opdracht volbracht. De kerk had de opdrachten, die ‘de dame in het wit’ Bernadette gegeven had, overgenomen en toog aan het werk. Vanaf dat moment had zij een bijzondere positie kunnen claimen binnen de kerk. De kerk had immers haar visioen erkend en de taakstelling, die daaruit voortvloeide aanvaard. Uit geen enkele brief of overgeleverde verhalen blijkt dat zij een dergelijke claim heeft gelegd. Integendeel, zij deed het tegenovergestelde.  Zij verliet Lourdes voorgoed en nam haar intrek in het klooster van Saint-Gildard in Nevers, waar zij een voor de wereld vergeten leven leidde. Daar onderwierp zij zich aan het regiem van de novicen meesteres Marie-Thérèse Vauzou. Deze zuster was de dochter van een generaal. Zij was zich zeer bewust van haar afkomst en haar bijzondere positie in het klooster. Het was voor haar geen eenvoudige opgave de jonge vrouw Bernadette, die in het klooster de naam Marie Bernard had aangenomen, te begeleiden op de weg naar geestelijke volwassenheid. In haar ogen bracht deze zieneres weinig mee aan status en culturele bagage. Bovendien had deze zuster een afkeer van vrijwel alle vormen van volksdevotie. Daarom pakte zij de opvoeding van Bernadette stevig aan, een vorming die stond, volgens haar, in het teken van het ware geloof en de ware vroomheid. Met de professie van Bernadette op 30 oktober 1867 was deze opvoeding voltooid. Vanaf dat moment behoorde zij geheel tot de kloostergemeenschap van Saint-Gildard tot haar dood op 16 april 1879. De kerkelijke opvoeding van moeder Marie-Thérèse Vauzou weerhield Bernadette echter niet trouw te blijven aan haar eigen spirituele taalgebruik, zoals haar spreken over, wat zij noemde, mijn geliefde grot in Lourdes.[23] 

 

Het spirituele in het leven van Bernadette blijkt een balanceren te zijn geweest tussen de grootmachten van mysterie, kerkelijke traditie, wetenschap en samenleving. Zij kreeg met deze machten te maken in de mensen, die op haar visioen reageerden. De belangrijkste daarvan heb ik besproken. In het inmiddels bekende schema uitgezet levert dat het volgende beeld op.

 

Haar spiritualiteit kon kennelijk alleen in leven blijven en betekenis krijgen door het bewaren van het evenwicht tussen mysterie, godsdienstige traditie en wetenschap. Dat ook anderen die kunst verstonden zal ik ook aantonen, zie daarvoor cdrom 5 en 6.

 

3 Bernadette en het huidige Lourdes

 

Zou Bernadette haar geliefde grot nog herkennen als zij in het begin van onze 21e eeuw Lourdes zou bezoeken? Op de plek in de grot van Massabielle, waar zij ‘de dame in het wit’ zag, staat een beeld. Het is enkele jaren na haar visioen in 1864 gemaakt door de beeldhouwer Joseph Fabisch uit Lyon. Uit wit marmer hakte hij een vrouwenfiguur, met een blauwe ceintuur en een gele roos op elke voet, overeenkomstig de beschrijving van Bernadette. Toen het meisje het beeld te zien kreeg zei ze: ‘nee, dat is ze niet’.[24] Daarbij merkte zij tevens op dat ‘de dame in het wit’ haar altijd had aangekeken en niet de blik naar boven gericht hield, zoals de afgebeelde figuur liet zien. Een visioen laat zich niet, door welke kunstenaar ook, in marmer tot uitdrukking brengen. Dat wat uit de sfeer van het mysterie komt kan niet in steen vereeuwigd worden. Een visioen kan niet onthullend tentoongesteld worden, zelfs niet met geraffineerde trucs in een film. Het verhaal van Bernadette is verschillende keren verfilmd. Daarin verscheen ‘de dame in het wit’ in een vage gestalte omringd door een lichtglans. In werkelijkheid werd alleen Bernadette vergund te zien. De omstanders zagen niets bijzonders, maar zagen wel de gestalte en vooral het gezicht van Bernadette veranderen als zij de dame ontmoette. Moderne cineasten hebben dat begrepen. Een film gemaakt door Jean Delannoy in 1987 laat alleen Bernadette zien en niet haar visioen, zoals op een afbeelding uit deze film is te zien.[25]

 

 

De kerk vertoont deze film op het terrein van het Heiligdom O.L. Vrouw, zoals de grot met alle bijbehorende kerkgebouwen en andere ruimten tegenwoordig heet, in de filmzaal Bernadette. Dat is opvallend, omdat deze film het mysterie van het visioen meer eerbiedigt dan het beeld van Fabisch in de grot en daarmee op gespannen voet staat met de zichtbare tekenen van het geloof en de helderheid van de naam van degene waarin geloofd wordt.

 

Het verhaal van Bernadette is niet alleen verfilmd, maar ook in romanvorm naverteld, onder meer door bekende auteurs, zoals de Joodse schrijver Franz Werfel. In de zomer van 1940 verbleef hij, onder moeilijke omstandigheden, enige weken in Lourdes. De in Praag geboren en in Wenen woonachtige toneel- en romanschrijver en dichter was op de vlucht voor het regiem van de nazi’s. Met een gevaarvolle overtocht naar Amerika voor de boeg, deed hij zichzelf de belofte bij behouden aankomst een roman over de zieneres van Lourdes te schrijven. Dat deed hij met de in 1941 verschenen roman Das Lied von Bernadette.[26] Over zijn verblijf in Lourdes schreef hij: ‘Het was een angstige tijd. Het was echter tegelijk een veelbetekenende tijd voor mij, want ik leerde er de wonderbaarlijke geschiedenis kennen van het meisje Bernadette Soubirous en tevens al de wonderbaarlijke feiten over de genezingen van Lourdes.’ Werfel had, vanaf het moment dat hij zijn eerste gedichten en proza schreef, al grote aandacht voor, wat hij zelf noemde: ‘het goddelijke mysterie en de menselijke heiligheid tegenover de geest van de tijd, die zich spottend, verbitterd en onverschillig afkeert van deze laatste waarden van ons leven’.[27] Het mysterie had dus voor hem een hoge waarde. In zijn boek ‘schildert’ hij Bernadette dan ook vooral vanuit het mysterie. Zo schrijft hij over haar het volgende.

‘Bernadette verliest haar natuurlijkheid niet. Haar naïveteit ten opzichte van het succes is zo ontstellend groot, dat het bewaren van haar onbevangenheid geen enkele verdienste heeft. Evenmin als de mensen haar begrijpen, begrijpt zij de mensen. Wat vinden die duizenden eraan om haar intimiteit met de dame te beloeren? Als er niemand kwam, zou het toch veel beter zijn. Meneer de deken, de officier van justitie, de commissaris van politie, iedereen zou haar dan met rust laten. Al die naloperij brengt haar alleen maar verdriet en kwelling. Belangrijk is de liefde. Belangrijk is de allerliefste, en anders niet. Bernadette heeft in de grond van haar hart geen enkele behoefte iemand ervan te overtuigen dat de dame werkelijk bestaat en niet slechts denkbeeldig is. Alleen als zij ertoe gedwongen wordt, nooit uit eigen vrije wil, laat zij zich in een discussie over dit punt mengen.’[28]

In zijn toneelstuk Der Weg der Verheissung typeerde Werfel datgene wat hij in het bovenstaande citaat beschrijft als het wederzijdse onbegrip, met het typisch Joodse woord: ballingschap. Ballingschap is de niet te ontwijken ervaring van vervreemding in de relatie tussen het ‘normaal herkenbare’ en het mysterieachtige spirituele.[29]

 

Ook de roman van Marcelle Auclair, een katholiek schrijfster, die onder meer een heiligenleven van Teresia van Avila schreef, legde grote nadruk op het mysteriekarakter van de verschijningen in Lourdes. Haar boek over Bernadette kwam uit tijdens het eeuwfeest van de herdenkingen in 1958.[30] Zelfs het inleidend schrijven door de vice-voorzitter van het internationale comité van de voorbereiding van dit eeuwfeest, verhaalt, in deze door de Katholieke Kerk officieel uitgegeven roman, over ‘de blik en de glimlach der schone witte Dame van Massabielle’.[31] Natuurlijk gaat het in dit inleidend schrijven en in deze roman, zoals verwacht kan worden, over de verschijning van de Heilige Maagd en over het zien van Maria door Bernadette. Tegelijk blijft, ook in deze kerkelijke roman, ‘de dame in het wit’ present. Het eerste hoofdstuk heeft als titel: ‘een verhaal over een meisje in het wit’. Het volgende fragment uit deze roman laat zien op welke wijze mysterie en godsdienstige traditie, mysterie en kerkelijke geloofstaal de schrijfster bijeenbracht. Nog tweemaal zal Bernadette die inwendige stem horen, die haar lopen deed in zoete geur van de reukwerken van haar Welbeminde: de 7e april … en tenslotte de 16e juli. Zij zal niet meer spreken, de Onbevlekte Dame; stralend met haar glimlach en haar gratie zal zij voor het kind blijven staan. Zij kijken elkaar maar aan, het kind en haar Moeder met een warme, tedere menselijke liefde, die door Gods genade veredeld wordt.[32]

 

Indien Bernadette vandaag bij de grot zou terugkeren zou ze de kerk zien, die boven de grot is gebouwd, eigenlijk drie kerken boven elkaar. Zij zou de processies zien overdag en ’s avonds in het donker met de duizenden lichtjes van de kaarsen door de pelgrims vastgehouden. Het zijn processies, die al begonnen toen zij nog in Lourdes woonde en sindsdien jaar in jaar uit dagelijks worden gehouden tot op vandaag. Zij zou de mensen zich zien wassen met het water uit de bron, of het water zien drinken. Dat alles zou zij herkennen als datgene wat ‘de dame in het wit’ wilde. Waarschijnlijk zou het weinig indruk op haar maken. Dit was meer een zaak van de Dame dan van haar. Tussen de mensen inlopend zou zij ook velen ontmoeten zoals in haar eigen tijd. Mensen als Milhet en Peyret, die naar Lourdes komen vanwege het mysterieuze karakter van het heiligdom, wellicht aanhangers van New Age, of mensen, die zich graag door een medium laten leiden. Zij zoeken in Lourdes een heilige plaats met een bijzondere uitstraling. Bernadette zou er opnieuw verschillende geestelijke ontmoeten, zoals in haar tijd pastoor Peyramale. Er lopen vele geestelijke rond op het terrein van de grot, herkenbaar aan hun kerkelijke gewaden: kapelaan, pastoor, deken en bisschop en soms een kardinaal of de paus. Zij komen voor aanbidding naar Lourdes. Zij komen, zoals in de officiële gids  van het heiligdom op de eerste pagina staat vermeld: ‘omdat Maria, Moeder van God en moeder van alle mensen, naar hier is gekomen in de nis van een rots, om er ons te herinneren aan het geheim van het geluk: armoede, gebed, boetvaardigheid, Kerk’.[33] En zij zou ook weer te maken krijgen met de doktoren, zoals de arts Dozous. Het zijn artsen en specialisten die werken bij de medische dienst van het heiligdom. Permanent of tijdelijk werken zij in het spanningsveld van hun medisch beroep aan de ene kant en de wonderlijke zaken die zich afspelen in het geloof aan de andere kant. Zij hebben ervaring met simuleren en frauderen, maar ook met genezingen, waar medisch gesproken geen uitzicht was op genezing. Zij zijn voorzichtig in hun beoordeling en stellen hun conclusies ter discussie in medische vakbladen en op congressen. De overheid en de commercie blijven op afstand, buiten het heiligdom. De toegang tot het grote terrein met zijn kerken en paviljoens is gratis, evenals het water uit de bron.

 

Lourdes is niet uitgegroeid tot een louter typisch Rooms-katholiek Mariaheiligdom, al speelt de kerk er een niet geringe rol en is de christelijke geloofssymboliek pregnant aanwezig. De vrome katholiek, maar ook christenen, die tot andere kerken behoren, kunnen hier zeker een aansprekende manifestatie van hun geloof vinden. Het is ook geen tempel van New Age, of een centrum voor allerlei moderne spirituele therapieën, hoewel een niet onbeduidende groep van mensen die naar Lourdes komen hiernaar op zoek is. Zij kunnen er zeker geestelijke vernieuwing vinden. De talrijke hotels, de parkachtige aanleg van het heiligdom en het gebruik van water doen sterk denken aan een kuuroord. Lourdes heeft iets weldadigs voor lichaam en geest. Maar Lourdes is niet alleen een plaats om te kuren en genezing te zoeken. De grote spirituele aantrekkingskracht van Lourdes bestaat uit een mengeling van godsdienst, mysterie en wetenschap en is daarmee één van de bijzondere spirituele plaatsen in de wereld. Eveneens mag duidelijk zijn, dat dit spirituele karakter van Lourdes, gevormd is door het spirituele wonderkind Bernadette Soubirous. Voorbeelden van deze spirituele vorming zijn op meerdere plaatsen in de cultuurgeschiedenis van Europa te vinden. Zie daarvoor de rest van hoofdstuk 2 en cdrom 5 en 6.


 

Aantekeningen



[1] Zie Ruth Harris, Lourdes, geschiedenis van een religieus fenomeen, Amsterdam 1999, pag. 173-174.

[2] Ruth Harris, a.w., pag.190-122.

[3] Vertaling, zo letterlijk mogelijk, van Joke van den Berg – Verboom, uit:  Les écrits de Sainte Bernadette et sa voie spirituelle, gepubliceerd door André Ravier s.j. uitg. P. Lethielleux Parijs 1961 pag. 53-59.

[4] A.w. p. Concordance des récits autographes des apparitions, pag. 111-115.

[5] Je vis une dâme habillée de blanc, schrijft Bernadette. Zij schrijft het woord dame verkeerd. Correct zou zijn: Je vis une dame …

[6] Brief aan P.Gondrand (28 mei 1861), brief aan C.Bouin (22 augustus 1864), Grotte de Lourdes (voorjaar 1866) bestaande uit drie verhalen, brief met onbekende bestemming (voorjaar 1865), brief aan een onbekende vrouw (voorjaar 1866), Carnet, aantekenboekje (1866), Woorden van de dame (door Bernadette gedicteerd en door pater P. Cross opgeschreven). Dit laatste geschrift is in het dialect van de Bigor opgeschreven. Dit dialect werd door Bernadette gesproken.  

[7] André Ravier a.w., p.525: la Vierge est, bien sûr, pour Bernadette, la Dame de Massabielle, mais il est curieux de noter que Soeur Marie-Bernard (de naam die zij in het klooster van Nevers had aangenomen) ne l’apelle jamais l’Immaculée Conception’, rarement ‘Marie-Immaculée’…

[8] André Ravier a.w., Récit destiné a l’Abbé Charles Bouin, 22 augustus 1864: (de vertaling in de tekst is zo letterlijk mogelijk) Je ne voulais pas leur (Bernadette schreef ten onrechte leurs) dire; elles m’ont (Bernadette schreef mont) tellement prié que je me suis décidée à leur raconter, à condition qu’elles n’en parleraient à personne. Elles me promirent de garder le secret; mais, aussitôt arrivées chez elles, elles s’empressèrent de le dire, que j’avais vu  une Dame habillée de blanc.

[9] A.w. pag. 93.

[10] Uit Bernadette zei … Couvent saint-Gildard – Nevers 1984, p.24. Volgens documentatie van Saint-Gildard, het klooster waar Bernadette vanaf 1866 verbleef, zou een getuige, die bij de 16de verschijning op 25 maart 1858 aanwezig was verklaard hebben: Bij het verlaten van de grot lacht bernadette. Weet je iets? – Zeg het niet, maar ze heft tegen me gezegd: Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.

[11] parce que je me sentais pressée intérieurement.

[12] Het visioen van Bernadette bevat niet alleen beelden. Er wordt ook in het visioen gesproken. De dame in het wit spreekt tot Bernadette. Het gesprek wordt niet gevoerd in het Frans, maar in de streektaal van de Bigor. In deze taal vraagt Bernadette: Boulet avoué la bounta dé mettre vosté noun per escrit? (Wilt u zo vriendelijk zijn uw naam op te schrijven? Het antwoord van de dame in het wit luidde: N’eye pas necessari (dat is niet nodig).

[13] Er bestaan twee versies van het proces verbaal. De eerste versie vertoont vele doorhalingen en is waarschijnlijk tijdens of kort na het verhoor geschreven. De tweede versie bestaat uit een doorlopende tekst, zonder doorhalingen. Deze tweede versie schreef Jacomet voor de officier van justitie Dutour. Deze gebruikte dit proces verbaal bij zijn eigen verhoor vier dagen later op 25 februari.

[14] Dit proces verbaal is verloren gegaan.

[15] André Ravier a.w. Trois récits sur feuilles de brouillons, 1866, p.85.

[16] Rene Laurentin Vie de Bernadette racontee a tous, Parijs 1979, p. 53 – 58.

[17] Louis Bouriette, blind aan het rechter oog, Blaise Soupéne leed aan blepharitis en Justin Duconte, enrstig ziek met hoge koorts.

[18] NRC 1 september 2001 p.55.

[19] Dat was pastoor Dézirat. Het was de enige keer dat een geestelijke bij een verschijning aanwezig was. Zie André Ravier a.w. pag.48.

[20] Rene Laurentin a.w. pag. 69.

[21] André Ravier a.w. p.525 … mais il est curieux de noter que Soeur Marie-Bernard (Bernadette) ne l’appelle jamais (in haar brieven) ‘l’Immaculée Conception’, rarement ‘Marie Immaculée…

[22] André Ravier a.w. p.522.

[23] André Ravier a.w. p.523: Massabielle est dès lors le haut lieu de son âme. Même lorsqu’elle vit à Nevers. C’est dans chaque lettre, - du moins si le destinataire habite Lourdes ou y passe quelques jours – que Soeur Marie-Bernard demande à son correspondant – qu’il soit adulte ou enfant, laïc, prêtre ou religieux – de prier pour elle ‘quand vous irez à ma chère Grotte’.

[24] Rene Laurentin, a.w. pag.108.

[25] Jean Delannoy, Texte de Jacwues Douyau, Bernadette, Parijs 1992, pag.31.

[26] Franz Werfel, Das Lied von Bernadette, Stockholm 1941. Ik citeer uit een vertaling in het Nederlands van Elisabeth Bredemeyer, uitgegeven door Querido 1947.

[27] Franz Werfel, a.w. pag.8

[28] A.w. pag.203.

[29] Martin Gilbert, Een eeuw joods leven, Baarn 2001, pag. 60.

[30] Marcelle Auclair, Bernadette, Tournai 1958. Het boek heb ik ten geschenke gekregen van collega mevrouw Daisy Smith.

[31] Marcelle Auclair, a.w. pag.10-11.

[32] A.w. pag. 151.

[33] Gids voor bedevaarder en bezoeker Heiligdom O.L. Vrouw van Lourdes, Lourdes 1997.



< Terug naar inhoudsopgave