Aanvullende artikelen


Deze artikelen zijn verdere verdiepende bijdragen, behorende bij het hoofdartikel ‘Historiciteit en Spiritualiteit’.




< Terug naar inhoudsopgave

Discours godsdienstige traditie Ė wetenschap

 

Inhoud

 

1 Godsdienstige traditie en wetenschap in de 12e Ė 14e eeuw

††††††††††† 1.1 Inleiding

††††††††††† 1.2 Middeleeuws wereldbeeld en levensbeschouwing

††††††††††† 1.3 Eenheid van godsdienst en wetenschap

2 Geloof en wetenschap uit elkaar

2.1 Inleiding

††††††††††† 2.2 Theoretische kritiek

††††††††††† 2.3 Waarneming en experiment

††††††††††† 2.4 Een nieuw wereldbeeld

††††††††††† 2.5 Kentheorie

††††††††††† 2.6 Evolutie

††††††††††† 2.7 Wetenschappelijke geschiedschrijving

††††††††††† 2.8 Sociale wetenschappen

††††††††††† 2.9 Internet

3 Wetenschappen

4 Het discours godsdienstige traditie - wetenschap

4.1 Inleiding

4.2 Het separatiemodel, wetenschap en godsdienst als gescheiden

werkelijkheden

4.3 Het warfaremodel

4.4 Het symbiosemodel, godsdienstwetenschap, theologie en kerkelijke

theologie

Aantekeningen

 

 

1 Godsdienstige traditie en wetenschap in de 12e Ė 14e eeuw

 

1.1 Inleiding

Vanaf de 12e tot en met de 14e eeuw, vooral tijdens de bloeitijd van de scholastiek, vormden de godsdienstige traditie in Europa en de wetenschap samen ťťn geheel, in tegenstelling tot onze huidige tijd waarin deze beide twee onderscheiden Ďwereldení zijn geworden. De middeleeuwse mens in Europa zag de werkelijkheid als een geheel en beleefde deze ook als een eenheid. In de huidige in zichzelf verdeelde samenleving is een dergelijke voorstelling en beleving van de middeleeuwse mens nauwelijks voor te stellen. De moderne pluriforme cultuur brengt echter het voordeel met zich mee van gewenning aan confrontaties met cultuuruitingen, die niet direct stroken met de eigen opvattingen en beleving van de werkelijkheid. Met deze instelling kan geprobeerd worden zich in te leven in de gedachten en ervaring van de middeleeuwse mens.

 

1.2 Middeleeuws wereldbeeld en levensbeschouwing

Stel dat je zou leven omstreeks 1300. Dan zou je de werkelijkheid als volgt zien en ervaren.

Hoog boven alles is God en diep in het hart van de aarde huist de duivel. Alles wat daar tussen zit, zoals de aarde en het dagelijks leven van de mensen, is geordend in een hiŽrarchisch systeem, waarin alles en iedereen zijn eigen rangorde heeft. Het meest volmaakte en eeuwige staat bovenaan, lager staat datgene wat minder volmaakt is en het minst volmaakte en vergankelijke staat onderaan. Midden in deze van hoog tot laag gestructureerdewerkelijkheid bevindt zich de aarde. De aarde staatdus in het centrum. Alles wat zich daarop bevindt bestaat uit vier elementen. Deze elementen staan, als je ze onvermengd bekijkt, ten opzichte van elkaar in een hiŽrarchische orde, van zwaar naar lichter. Onderaan staat het element aarde in de betekenis van aardse materie, dan volgt, minder zwaar en iets hoger het water. Daarboven bevindt zich de lucht en tenslotte, als lichtste element, staat boven aan het vuur. Deze elementen zijn vergankelijk in tegenstelling tot de hogere natuur, die onvergankelijk is. De mineralen, de planten, de dieren en de mensen bestaan uit een mengsel van deze vier elementen. Dus ook de mens is opgebouwd uit deze elementen al heeft de mens bovendien nog iets uit de hogere werkelijkheid in de vorm van een ziel. De ziel bestaat uit drie louter geestelijke elementen: verstand, geheugen en wil.

 

Vanaf de aarde, waar alles tijdelijk en vergankelijk is en waar alles wat gebeurt in tegenstrijdige bewegingen verloopt, kun je een blik werpen op de hogere werkelijkheid. Boven je zie je de zeven planetensferen. De eerste sfeer bestaat uit de maan. De maan behoort al tot de hemelse sfeer, maar staat aan de andere kant nog dicht bij de aardse werkelijkheid. De maan bestaat niet uit de vermenging van de vier aardse elementen, maar uit etherische materie. Je kunt de maan zien bewegen. Haar beweging is cirkelvormig. De wiskunde toont dat aan. De cirkel is de meest volmaakte van alle vormen van beweging, want de cirkel heeft geen einde en beweegt zich ook niet naar andere plaatsen. De cirkelbeweging heeft van alle bewegingen de meeste verwantschap met het onbewegelijke en het onbewegelijke is het volmaakte. Met haar cirkelbeweging behoort de maan al tot de hemelse werkelijkheid, die volmaakt is. De maan is onvergankelijk en blijft zichzelf steeds gelijk. Uit haar beweging valt af te leiden dat zij een bezield wezen is. Het zou ook kunnen dat haar beweging veroorzaakt wordt door geestelijke wezens, de engelen. Toch is de maan niet volledig volmaakt, want de maan vertoont vlekken.

In steeds hogere sferen zie je achtereenvolgens: Mercurius, Venus, de zon, Mars, Jupiter en tenslotte in de zevende sfeer Saturnus. Al deze hemellichamen bewegen zich, elk in hun eigen sfeer, in een volmaakte cirkel. De zeven hemellichamen oefenen invloed uit op de lagere werkelijkheid. Door hen wordt de tijd geregeld in dagen, maanden en jaren. Zij regelen ook ontstaan en vergaan van de mineralen, de planten, de dieren en de lichamen van mensen op aarde. Zij zorgen voor geboorte door het samenvoegen van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur, elementen die tegenstrijdige eigenschappen bezitten. Want het water bijvoorbeeld wil altijd naar beneden stromen en de vlammen van het vuur willen altijd naar boven. De hemellichamen zorgen tevens voor de ontbinding van de uit de vier elementen opgebouwde lichamen op aarde. Alle levenscycli staan dus onder voortdurende invloed van de hemellichamen. Er zal echter in de toekomst een moment komen waarin de beweging van de zeven hemellichamen ophoudt. Dan zal er ook een einde komen aan geboorte en dood. De mens is dus, voor wat zijn stoffelijk leven betreft, afhankelijk van deze zeven hemellichamen. Voor wat zijn verstand, geheugen en wil betreft, is de mens afhankelijk van hogere sferen, afhankelijk van de hemelse sferen waar God vertoeft.††

 

Boven de zeven planetensferen liggen nog drie sferen. De eerste daarvan is de sfeer van de eeuwige en vaste sterren, het firmament. Die is ook nog vanaf de aarde te zien. Het is het onderste gedeelte van een werkelijkheid waar onze ziel thuishoort. Daarboven ligt de kristallijnen hemel. Deze sfeer verbindt de daarboven gelegen sfeer met de sterrenhemel. De bovenste sfeer is die van het Empyreum. Dat is de tiende hemel. In deze hemel bevinden zich de engelenkoren, met in hun midden God.

 

Het is God die de gehele hiŽrarchische orde van de wereldwerkelijkheid waarin je leeft in stand houdt. De planeten zijn werktuigen van God, die met behulp van engelen in beweging worden gehouden en met deze beweging doen zij op hun beurt de gemengde lichamen op aarde ontstaan en vergaan. Bestudering van de verschillende onderdelen van deze door God geordende werkelijkheid brengt je tot inzicht van de wijsheid, macht en goedheid van God, die dit alles tot stand heeft gebracht en onderhoudt. Kennis van de natuur is dus tegelijk kennis van God. Natuurwetenschap en theologie vloeien in elkaar over. Kennis van de natuur staat hier in dienst van de kennis van God, natuurwetenschap in dienst van theologie. Mens en wereld hangen samen in ťťn groot organisch geheel, bestuurt door God. Het is de taak van de mens om die ordening van de werkelijkheid te bestuderen en zijn leven daarnaar in te richten. Wie daar zijn ogen voor sluit of zich afwendt is een dwaas. Dezelfde hiŽrarchische eenheid en opbouw, die in de werkelijkheid van de wereld wordt gevonden, weerspiegelt zich in het leven van de mens. Van laag naar hoog houdt dat een structuur in waarin onderscheiden kan worden: het lichamelijke van de mens, bestuurd door planeten, planeten als instrumenten van God, vervolgens van hogere orde het verstand, verlicht door engelen als geestelijke instrumenten van God, en tenslotte de wil als het hoogste in de mens, direct door God beÔnvloedt. De mens handelt goed als deze handeling in overstemming is met de door God ingestelde orde en slecht als zij in strijd is met deze wereldordening.

 

Het kwaad in de wereld is het negatief van de goede ordening. Als negatief van de goede hiŽrarchisch opgebouwde wereldorde bestaat het kwaad in de vorm van een hel in de aarde. Als negatief kent ook de hel een hiŽrarchie. De zielen, die zijn afgewezen door de hemelse orde belanden in de hel en krijgen daar hun toegewezen plaats. Hoe lager die plaats is, hoe ellendiger het leven voor de ziel is. Na zijn dood kan een mens, als eeuwige straf op zijn slechte leven, in deze negatieve hiŽrarchisch opgebouwde orde van de hel belanden. Bovenin bevinden zich degene, die zich tijdens hun leven laf gedragen hebben. Het zijn de zielen van de grote massa, die met alle winden meewaaiden. Iets lager, maar nog steeds in het bovenste gedeelte van de hel vertoeven de zielen van hen, die niet gedoopt zijn. Die verblijfplaats valt wel mee, want daar vinden wij grote dichters en wetenschappers uit de klassieke oudheid, mensen aan wie wij toch veel te danken hebben. Daaronder begint de eigenlijke hel, met zielen die tijdens hun aardse leven hun wellust volgden en in de hel nu in een niet aflatende stormwind eeuwig worden rondgeslingerd. Ga je weer lager, dieper de hel in, dan vind je de gulzigaards, die eeuwig in regen, sneeuw en hagel moeten staan. Nog weer lager bevinden zich de zielen van degene die gierig waren of een leven van verspilling hebben geleid. Nog dieper bevinden zich de tragen en driftkoppen. Zij zitten in een moeras en vechten met elkaar. Daaronder bevinden zich de ketters in gloeiende graftomben. Nog weer dieper de hel in zitten de moordenaars en andere geweldplegers in een stroom van kokend bloed, of zelfmoordenaars veranderd in onbeweeglijk knoestige bomen. Nog lager gezonken in de hel zijn de zielen van oplichters, woekeraars en zij die de tegennatuurlijke liefde bedreven. In de diepste diepten van de hel, dichtbij de verblijfplaats van de duivel zelf, zitten de verraders. Zij zijn ondergedompeld in kokend pek, terwijl zij voortdurend door duivels gepijnigd worden.[1]

 

Sommige zielen ontsnappen aan de hel doordat zij een tijdelijke straf ondergaan en daarna alsnog gelouterd de hemelse sferen binnen kunnen. Zij lijden dus wel van wegen hun slechte daden tijdens hun leven, maar na de loutering komt een einde aan het lijden van hun ziel. Zij krijgen dan een plaats in de hemel toegewezen, een hemel die eveneens hiŽrarchisch van opbouw is.

 

Je behoeft echter niet bang te zijn voor de hel als je de regels en voorschriften van de kerk maar in acht neemt. Ook de kerk is hiŽrarchisch van structuur met aan de top Christus, daaronder de paus, vervolgens de bisschoppen, de clerici, de monniken en tenslotte de gewone gelovigen. Maar niet alleen de kerk ook de samenleving is op deze wijze geordend van hoog tot laag, van keizer, leenheer, hertogen, graven, ridders tot aan het gewone voetvolk. Wie zich gehoorzaam in deze hiŽrarchie voegt en dus de door God ingestelde wereldorde eerbiedigt, kan in vol vertrouwen ís avonds, als er een heldere hemel is, naar boven kijken, naar het firmament, waar de ziel in de toekomst zal vertoeven. Bovendien kun je vertrouwen op Christus. Deze is vanuit het Empyreum afgedaald om de door mensen geschonden wereldorde te herstellen. Door het offer van zijn leven is hij zelfs afgedaald in de diepte van de hel, om de daar verblijvende zielen te bevrijden en ook om jou, waar je ook mag zijn, mee te nemen in zijn triomftocht naar de hemel.

 

1.3 Eenheid van godsdienst en wetenschap

De zojuist beschreven ervaringswereld van de 13eeeuwse mens was niet de wereld van enkele gelovigen, geleerden en kunstenaars, maar werd breed gedeeld, eigenlijk door iedereen. Voor de in die tijd levende mensen was deze ervaringswereld vanzelfsprekend en onaantastbaar. Dat blijkt uit de geschreven boeken uit die tijd, maar ook uit de schilderkunst en architectuur van die dagen. In alle culturele uitingen vanaf de 12e tot diep in de 15e eeuw is deze veronderstelde eenheid van de werkelijkheid aanwezig. Deze ervaringswereld behoefde niet met argumenten verdedigd te worden. Ze was er eenvoudig. In al deze uitingen is vrijwel nergens iets van enige twijfel te vinden aan de geldigheid van dit concept van wereldwerkelijkheid.

 

Dat neemt niet weg dat er wel zoiets was, wat met een moderne term aangeduid kan worden, als eenwetenschappelijk discours. De discussies in universiteiten als Oxford, Bologna en Keulen betroffen echter allerlei detailkwesties, maar tastten het geheel van deze wereldwerkelijkheid niet aan. Het wetenschappelijke debat ging over vragen als bijvoorbeeld: hoever reikt de invloed van de planeten? Kan begane zonden aan deze invloed worden toegeschreven? Hoe kunnen twee soorten materie, het lichamelijke en het geestelijke samengaan, zoals dat bij de mens het geval is? In hoeverre is de mens een afbeelding van God? Wat is de vrijheid van de mens in betrekking tot de voorzienigheid? Hoeveel engelen waren er eigenlijk? Slechts zeven om de planeten te doen bewegen, of vele meer, omdat de bijbel sprak over engelenkoren? Konden de intelligente wezens waar Aristoteles over geschreven had zonder meer met de engelen van de bijbel worden gelijkgesteld? Kritische vragen, bijvoorbeeld met betrekking tot de centrale positie van de aarde en van de mens in dit geheel, werden echter niet gesteld. Het wetenschappelijke discours werd gevoerd ten dienste van geloof en kerk en met gebruikmaking van de bronnen der traditie, zoals de bijbel en de geschriften van de klassieke wijsgeren en kerkvaders. Uitspraken werden gelegitimeerd aan de hand van deze drie bronnen. Degene die kon aantonen dat een bepaalde opvatting bijvoorbeeld over de mens, of over de natuur, of over politiek, of over de wil van God, in overeenstemming was met de bijbel, de concepten van de Griekse wijsgeren en met de leer der kerkvaders, kon rekening op vertrouwen van anderen, op acceptatie van zijn ideeŽn en op het krijgen van gezag. Zo verklaarde Bonaventura (1217-1274) het getal zeven heilig, omdat de Griekse wijsgeren leerden dat er zeven planeten zijn en de Schrift leerde dat er zeven dagen in de week zitten en zeven engelen voor het aangezicht van God staan en omdatde kerkvaders leerden dat er zeven werken van barmhartigheid zijn en de kerkelijke praktijk liet zien dat er zeven sacramenten zijn. Ook de kunst sloot hierbij naadloos aan, zoals bijvoorbeeld in de muziek met zeven tonen.

 

2 Geloof en wetenschap uit elkaar

 

2.1 Inleiding

Het brede draagvlak voor deze christelijk middeleeuwse interpretatie van de wereldwerkelijkheid ging echter allengs verloren. Een historisch proces van bijna vijf eeuwen maakte een einde aan de vanzelfsprekendheid van deze opvatting van realiteit. Stap voor stap moest het christelijk geloof terrein prijsgeven aan de zelfstandig opkomende wetenschap. Uit het huwelijk van christelijk geloof en klassieke wijsbegeerte was een nakomeling voortgekomen, die los van de ouders een andere weg ging. De huidige verhouding tussen deze ouders en de nakomeling kan getypeerd worden als het discours van godsdienst en wetenschap. Vooraf aan een beschrijving van het discours volgt nu eerst een schets van het proces van volwassenwording van de wetenschap aan de hand van acht markante ontwikkelingen.

 

2.2 Theoretische kritiek

Voedingsbodem voor de eerste kritiek op het middeleeuwse wereldsysteem waren de scholastieke discussies, die aan de verschillende universiteiten in Europa werden gevoerd. Aanvankelijk kwamen in deze wetenschappelijke gesprekken alleen kwesties aan de orde, die pasten binnen het algemeen aanvaarde middeleeuwse wereldbeeld en wereldbeschouwing. De training, die van deze gesprekken uitging, voerde in de tweede helft van de 15e eeuw en de eerste helft van de 16e eeuw tot grensoverschrijdende vragen, die de vanzelfsprekende grondslagen van het middeleeuwse systeem aantastten. Daarbij bleven de discussies niet beperkt tot de academies, maar breidden zich, vooral mogelijk gemaakt door de uitvinding van de boekdrukkunst, uit onder verschillende lagen van de bevolking.

 

Eťn van de belangrijkste uit deze nieuwe beweging van theoretische kritiek was Nicolaas van Cusa (1401-1464). Hij studeerde in Heidelberg, Padua en Keulen en hield zich naast wetenschappelijk werk, waarin de wiskunde centraal stond, vooral met kerkpolitiek bezig.[2] Hij opperde de theoretische mogelijkheid dat er wellicht buiten de hemelsferen nog andere werelden konden liggen. Met dit gedachte-experiment werd in feite het begrensde en gesloten middeleeuwse wereldbeeld opengebroken en ontstond er ruimte voor een dynamisch en historisch wereldbeeld. Ook stelde hij de hiŽrarchische structuur in het middeleeuwse systeem ter discussie. Hij vond geen bevredigend antwoord op de vraag waarom de aarde een lagere en dus minderwaardige plaats in de rangorde van het systeem kreeg dan de hemelse sferen. Daarom kreeg bij hem het aardse een opwaardering en zag hij deelname aan allerlei aardse activiteiten, zoals bijvoorbeeld politiek, als het leveren van een zinvolle bijdrage aan het goddelijke scheppingsgebeuren. Door dit te doen wordt de mens als het ware kind van God (filiatio) en niet door ascetische ontkenning van de aardse werkelijkheid. Bij hem duikt ook het mysterie op in zijn geschrift, met de veelzeggende titel, De docta Ignorantia ( ĎOver de leer der onwetendheidí 1440). Daarin stelde hij dat God niet adequaat gekend kan worden, ook niet, wat in zijn tijd vanzelfsprekend was, door bestudering van de door God geschapen werkelijkheid.

 

De meest bekende uit deze stroming van theoretische kritiek op het middeleeuwse wereldbeeld was de in Polen (Oost Pruisen) geboren en aan de universiteit van Krakau tot wiskundige opgeleide Nicolaus Copernicus (1473-1543). Hij toonde aan dat de standvan de planeten ook vooruit berekend kon worden als niet de aarde, maar de zon in het middelpunt van het wereldsysteem zou staan. Bovendien waren deze berekeningen veel eenvoudiger, omdat het heliocentrische model symmetrisch was en de bewegingen van de planeten in enkelvoudige cirkels beschreven konden worden in plaats van de elkaar overlappende cirkelbewegingen in het geocentrische systeem. Met dit wiskundige experiment was het echter niet meer vanzelfsprekend dat de aarde het middelpunt van het systeem was, maar de zon. In Europa veroorzaakte deze theorie veel opschudding, maar in het christelijke ArmeniŽ was de kerk al vanaf de 7e eeuw vertrouwd met het heliocentrische wereldbeeld, berekend door de astronoom en door de kerk heilig verklaarde Anania van Schirak.[3] Maar in het Europa van de 16e eeuw bestonden nog twee mogelijkheden: een geocentrisch en een heliocentrisch wereldbeeld. In beide mogelijkheden liet Copernicus de sfeer van de vaste sterren en van de hemelse sferen intact. Op dat punt bleef hij minder revolutionair dan Nicolaas van Cusa, die ook de hemelse sferen in de discussie betrokken had. Toch betekende de optie van Copernicus, die hijzelf overigens niet als een optie, maar als een betere theorie zag, dat het gehele middeleeuwse systeem van wereldwerkelijkheid kon gaan wankelen. [4] Zon en aarde kwamen in een andere verhouding te staan, waarbij de meerwaardigheid van de zon en de minderwaardigheid van het Ďaardseí niet meer vanzelfsprekend vaststonden. De voorstelling van de hiŽrarchische orde in het toenmalige wereldbeeld werd verstoord, evenals de daarvan afgeleide hiŽrarchische maatschappelijke orde met de koning aan de top en de boeren onderaan. Omdat deze hiŽrarchische orde deruggengraat was van het gehele systeem werd uiteindelijk het gehele systeem ter discussie gesteld en tenslotte als onrealistisch verworpen.††

 

Een andere representant van deze kritische beweging was Johannes Kepler (1571-1630). Hij ondernam een grondige studie van de bewegingen van de planeet Mars, onder meer van het opvallende verschijnsel dat deze planeet in verhouding tot de vaste sterren soms vooruit en soms achteruit bleek te gaan. In een geocentrisch opvatting van het heelal is dat onbegrijpelijk, maar in een heliocentrisch heelal gemakkelijk te verklaren.[5] Wat Kepler vooral berekende was het verschil in snelheid van deze planeet. Hij kwam tot de conclusie dat de snelheid afhankelijk was van de afstand tot de zon. Verschil in afstand betekende dat de planeetbaan onmogelijk een cirkel kon zijn. De enige conclusie die hij uit zijn wiskundige berekeningen kon trekken was een ellipsvormige baan. Al spoedig toonde hij aan dat deze gevolgtrekking niet alleen op Mars van toepassing was, maar op de bewegingen van alle planeten. De planeten bewogen zich niet in cirkels om de zon, maar hun banen waren ellipsvormig. Daarmee tastte hij een fundamentele opvatting aan van het middeleeuwse wereldbeeld. De cirkel gold als de meest volmaakte wiskundige figuur. God, als de meest volmaakte, zou ook voor zijn schepping het meest volmaakte gebruikt hebben, zo was de opvatting, en dat was de cirkel. Met de berekening van de ellips werd deze vanzelfsprekende opvatting onder kritiek gesteld. Verder vroeg hij zich af waardoor de planeten bewogen werden. In het middeleeuwse wereldbeeld werd de beweging toegeschreven aan engelen. Maar Kepler zocht de oorzaak in het hemellichaam, dat sinds Copernicus in het centrum van de wereldwerkelijkheid stond: de zon. De zon stond, zo berekende hij, in het brandpunt van elke planeetbaan. Door haar veel grotere omvang, zo veronderstelde hij, bracht deze Ďplaneetí de andere in beweging. Het verschil in snelheid van deze beweging van de verschillende planeten kon hij tevens verklaren uit het verschil van afstand van elke planeet tot de zon. Hoe dichter een planeet bij de zon stond, hoe sneller deze ging. Overigens verloor Kepler daarmee zijn christelijk geloof niet. Integendeel. Hij had de indruk dat hij beter dan anderen doorzag op welke wijze de Schepper de schepping tot stand had gebracht. Daarom sloot hij zijn wetenschappelijk werk telkens af met een dankgebed.

 

2.3 Waarneming en experiment

Met de Italiaanse Galileo GalileÔ (1564-1642), een tijdgenoot van Kepler, ontstaat een geheel nieuwe vorm van wetenschap. Deze wetenschap berustte niet meer op het bestuderen van teksten van bijvoorbeeld klassieke schrijvers of van de bijbel, ook niet meer louter en alleen op wiskundige berekeningen, maar op waarneming en experiment. De interpretatie van realiteit moest met behulp van deze twee tot stand worden gebracht. De promoting van deze visie is de grote verdienste van GalileÔ geweest. Dit betekende echter tevens de onttroning van de theologie als Ďkoningin der wetenschappení, want het kenmerkende van theologie als wetenschap was het interpreteren van teksten.

 

GalileÔ experimenteerde met onder meer de vrije val van voorwerpen en probeerde daarin een bepaalde wetmatigheid te ontdekken. Hij was een van de eerste die op zoek was naar datgene wat wij tegenwoordig natuurwetten noemen. Hij stelde bijvoorbeeld vast dat een slinger van een vaste lengte altijd in een constante frequentie slingert. Hij wordt daarom wel de vader van de moderne dynamica genoemd.

 

Voor wat de waarneming betreft was GalileÔ een van de eersten die een instrument gebruikte, de telescoop, of zoals hij deze noemde het perspicillum. Dit instrument was in Nederland ontwikkeld. Het bestond uit twee lenzen in een holle buis gemonteerd. Het gebruik van zoín instrument was in de toenmalige wetenschap verdacht. Want op allerlei jaarmarkten en kermissen werden in die tijd door goochelaars en kwakzalvers met instrumenten de gekste toeren uitgehaald. Dat riep de vraag op hoe betrouwbaar de waarneming met zulke instrumenten kon zijn. Het gezag van de klassieken en van de bijbel kwam te staan tegenover het instrument als kermisattractie. GalileÔ durfde het aan om met zijn perspicillum het hemelgewelf te bekijken. Met zijn zelfgebouwde telescoop, die negen keer vergrootte, deed hij opzienbarende ontdekkingen. Hij zag veel meer sterren, wel tien keer zoveel, als tot dan toe te zien waren met het blote oog. Ook zag hij dat het maanoppervlak niet glad was, maar bergachtig. En hij zag in zijn telescoop vier manen rond de planeet Jupiter. Meer sterren, bergen op de maan en de manen van Jupiter waren allemaal zaken waarover de klassieke schrijvers niets geschreven hadden. Aristoteles had beweerd dat de maan volkomen glad was! Hadden deze schrijvers zich vergist? Deze vraag luidde het begin in van het terzijde schuiven van de klassieke wetenschap als grondslag voor wetenschap en in haar kielzog de bijbel. In 1610 publiceerde hij zijn bevindingen. In 1612 hield hij lezingen in Rome en de kerkelijke leiders waren enthousiast. Het kerkelijke support sloeg echter om in afwijzing toen GalileÔ uit zijn waarnemingen de conclusie trok dat alleen het heliocentrische wereldbeeldvan Copernicus het enige en juiste wereldbeeld kon zijn Ė de vier manen van Jupiter bewezen immers dat niet alles om de aarde draaide - en als zodanig door de samenleving aanvaard moest worden. Vooral de kerk ging hem ter harte. Deze was immers beschermer van de wetenschap. Daarom moest met name de kerk de nieuwe inzichten aanvaarden en uitdragen. Daarvoor ondernam hij actie door het schrijven van zijn boek Dialogen over de twee grote wereldsystemen (Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo), een boek dat niet verscheen in de wetenschappelijke taal van die dagen: het Latijn, maar in de volkstaal. GalileÔ hoopte kennelijk op een brede maatschappelijke discussie. Het liep echter anders. Het boek, in 1633 met kerkelijke goedkeuring verschenen, werd toch datzelfde jaar door de kerk veroordeeld. Daarbij speelde kerkpolitiek, intrige en ook het zichzelf overschattende en trotse karakter van GalileÔ een rol. Deze veroordeling heeft de dialoog geloof en wetenschap schade toegebracht. Er was wederzijds wantrouwen gezaaid. Het duurde tot 1822 dat de kerk dit inzag en als nog zijn boek vrijgaf.

 

2.4 Een nieuw wereldbeeld

Niet alleen GalileÔ, maar ook anderen gingen de weg op van waarneming met instrumenten en experimenten met natuurverschijnselen. Nieuwe ontdekkingen werden gedaan en met de nieuw verworven inzichten brokkelde het oude wereldbeeld af. Vooral de beweging van de planeten hield een aantal wetenschappers bezig. Aristoteles had deze beweging toegeschreven aan intelligenties, die in het middeleeuws christelijk Europa werden omgevormd tot engelen. In het begin van de 17e eeuw dachten sommigen dat de beweging veroorzaakt werd door draaikolken in de ether. Maar de leer van de zwaartekracht, geformuleerd door Isaac Newton (1642-1727) maakte een einde aan al deze opvattingen. Hij toonde aan dat de zwaartekracht een sluitende verklaring bood voor de beweging van de planeten langs ellipsvormige banen. Lichamen trokken elkaar aan in verhouding tot hun massa en in omgekeerde verhouding tot het kwadraat van hun afstand. Bovendien was deze kracht universeel, die zowel een appel, die losraakte van de boom, naar de aarde toe deed vallen, als de maan in een baan om de aarde hield. Met de natuurwet van deze universele kracht schiep Newton in feite een nieuwe visie op het heelal. Er was een nieuw wereldbeeld ontstaan, waarin de aarde niet meer in het centrum stond omringd door hemelse sferen. Het betekende tevens de ineenstorting van de voorstelling van de hiŽrarchische orde. Dat had ook maatschappelijke consequenties. Nog in diezelfde eeuw brak de eerste volksopstand uit in Frankrijk en werd de weg vrijgemaakt voor de moderne democratieŽn. In het systeem van bewegingen van Newton, een overigens zeer gelovig man die zich intensief met de studie van de bijbel bezighield, bleef Godnodig om de, volgens Newton onherroepelijk optredende onregelmatigheden in de bewegingen, te corrigeren. Een eeuw later toonde Laplace aan dat ook deze Ďcorrectiesí met de wet van de zwaartekracht konden worden verklaard. Daar was God niet meer voor nodig. Een onopgelost vraagstuk bleef over, namelijk de plaats en de betekenis van de mens in dit geheel van nieuwe opvattingen over het heelal.

 

2.5 Kentheorie

Niet alleen op natuurwetenschappelijk gebied gingen geloof en wetenschap uiteen, maar ook op het terrein van de wijsbegeerte. De kennisleer was eeuwen lang bepaald door de ideeŽnleer van Plato met zijn pure geestelijke kenact en de twee-eenheid van het zintuiglijke en geestelijke kennen van Aristoteles. De middeleeuwse kerk had deze kennisleer als basis van haar theologie gemaakt. Maar met Renť Descartes (1596-1650) kwam daarin verandering. Daarmee verwierf hij zich de titel: vader van de moderne wijsbegeerte. Na het debacle van het aristotelische werkelijkheidsconcept in zijn tijd, ging hij op zoek naar een nieuwe interpretatie van de werkelijkheid. Hij vond deze in zijn kentheorie van de methodische twijfel. Deze methodische twijfel was geen vorm van scepticisme of agnosticisme, maar een middel om tot betere kennis te komen. Om tot zekere kennis te komen, moeten alle uitspraken in twijfel getrokken worden. De enige zekere kennis die er dan overblijft is de twijfel zelf en de denkende mens die deze twijfel voortbrengt. Op deze wijze kwam hij tot zijn bekende uitspraak: cogito ergo sum, ik denk, dus ik besta. Vanuit deze zekerheid kan vervolgens al het andere worden afgeleid. Dit apriori (letterlijk: vanuit het eerdere), waarin ontwijfelbare zekerheid door het verstand onmiddellijk wordt ingezien, vormt de basis van alle wetenschappen. Daarmee werd de rede (ratio) grondslag van alle kennis. Door redeneren ontstaat kennis (deductieve methode). Hierdoor werd echter de zintuiglijke waarneming in zijn theorie problematisch, eigenlijk overbodig, terwijl hij veel natuurwetenschappelijke proeven nam en observaties verrichtte. Desondanks toonde de methodische twijfel haar nut voor de ontwikkeling van de wetenschappen en vormt nog steeds een van de grondslagen van wetenschappelijk onderzoek.

 

De empiristen echter ontwikkelde een geheel andere kennistheorie. Het empirisme stelde tegenover de methodische twijfel van Descartes de methodisch gedisciplineerde zintuiglijke waarneming, met de methode van inductie: uit vele afzonderlijke waarnemingsuitspraken kunnen algemene uitspraken worden afgeleid. Als iemand telkens ervaart dat de knikkers in het knikkerspel rond zijn zal iemand tot de algemene uitspraak komen dat alle knikkers rond zijn en tot de conclusie komen dat er geen vierkante knikkers bestaan. De door inductie verkregen feiten zijn de bouwstenen van kennis. De belangrijkste vertegenwoordigers van deze filosofische stroming waren John Locke (1632-1704), Berkeley (1684-1753) en David Hume (1711-1776). Zij zagen het nut van de ratio en het daarmee verbonden logische en wiskundige oordelen wel in, maar zochten naar een wijsgerige kentheoretische basis voor de zintuiglijke waarneming. Volgens Locke komen alle elementaire ideeŽn uit ervaring. Er bestaan dus geen Ďaangeborení ideeŽn, ook niet de idee Ďtwijfelí zoals bij Descartes. De menselijke geest is als een leeg document (tabula rasa), dat via de zintuigen gevuld wordt. De ervaring komt of uit zintuiglijke waarneming, of uit zelfwaarneming, de reflectie zoals herinneren, onderscheiden en vergelijken, of uit beide tegelijk. Berkeley trok deze lijn van denken door en liet waarneming en zijn samenvallen. De dingen bestaan slechts in onze waarneming. De overeenstemming tussen waarneming en dat wat waargenomen wordt, is volgens Locke gewaarborgd door los van de ervaring staande intuÔtieve kennis en bij Berkeley door God. Hume probeerde vervolgens deze waarborg kwijt te raken. In zijn waarneming doet de mens indrukken op, die vervolgens door herinnering en fantasie omgevormd worden tot ideeŽn. Hume beschreef de wetmatigheid van deze omvorming. Alle kennis bestaat bij hem uit relaties tussen indrukken (empirische wetenschappen) of voorstellingen (wiskunde). Het empirisme heeft de ontwikkeling van de wetenschappen sterk gestimuleerd, niet alleen die van de natuurwetenschappen, maar ook die der sociale wetenschappen en geschiedenis. Veel huidige wetenschap stoelt op de empiristische voorstelling van het kenproces. Alom wordt de zintuiglijke waarneming als fundament voor wetenschappelijke kennis over de werkelijkheid beschouwd, in tegenstelling tot de middeleeuwse opvatting waarin traditie en openbaring als kennisbronnen werden opgevat.

 

De tegenstelling rationalisme en empirisme eindigde niet in een vruchteloze discussie. Dat is te danken aan Immanuel Kant (1724-1804), die beide wist te verbinden tot een synthese. Hij wist aan te tonen dat empirisme en rationalisme op elkaar waren aangewezen. Hij viel de empiristen bij door te stellen dat de inhoud van alle kennis afkomstig is uit zintuiglijke waarneming. Als wij twee appels op tafel zien liggen en iemand brengt er uit de winkel nog drie mee, dan kunnen wij deze bij elkaar optellen en weten dat er vijf appels in huis zijn. Maar de conclusie vijf als een optelsom van twee en drie kan ook zonder de aanwezigheid van appels of andere voorwerpen. Ook dan is de conclusie vijf correct. Daarom vond Kant de vooronderstelling van de empiristen, aangaande een passief verlopende waarneming, onjuist. Daar tegenover stelde hij de veronderstelling van zintuiglijke waarneming als een selectief proces. Waarneming wordt begripsmatig gestructureerd. Waarneming is, volgens Kant, interpretatie van het waargenomene met behulp van voorgegeven vormen (a priori vormen). Het intellect is in staat een nieuw oordeel toe te voegen zonder ervaring. Met zijn opvatting over de rol van deze voorgegeven vormen gaf hij de rationalisten gelijk. Feiten kunnen niet onafhankelijk van onze a priori vormen vastgesteld worden. De voorgegeven vormen van tijd en ruimte ordenen de zintuiglijke ervaring. De voorgegeven vormen van categorieŽn als: alheid, veelheid, eenheid, realiteit, negatie, begrenzing, substantie, causaliteit, wisselwerking, feitelijkheid, noodzakelijkheid en mogelijkheid, ordenen de ervaring. De chaotische prikkels van de waarneming worden door de structurering van de voorgegeven vormen tot empirische werkelijkheid. Als wij bijvoorbeeld oorzaken en gevolgen (causaliteit) ervaren, is deze ervaring niet iets wat wij in een onafhankelijk van ons bestaande wereld aantreffen, maar een menselijke interpretatievorm waarmee een veelheid aan indrukken begrijpelijk en handelbaar wordt gemaakt. De ervaring van de werkelijkheid is dus een product van het denken, dat ontstaat door de ordening van het materiaal der aanschouwing door voorgegeven categorieŽn. Met deze kentheorie gaf Kant de grondslag voor de huidige moderne wetenschap. Daarin gaan empirie en denken samen. Veel modern wetenschappelijk onderzoek bestaat uit het systematisch verwerken van waarnemingen.

 

2.6 Evolutie

Zorgvuldige systematische verwerking van waarnemingen ter plaatse en van een grote hoeveelheid materiaal, verzameld tijdens zijn vijf jaar durende reis, overtuigde Charles Darwin (1809-1882) van de juistheid van de evolutietheorie. Die theorie was opgekomen in de 18e eeuw bij onderzoekers als Buffon, Linnaeus, De Lamarck en Herder. Bij Darwin was deze theorie echter geen mogelijke hypothese meer, maar de meest plausibele verklaring van de levensverschijnselen. Hij publiceerde zijn bevindingen in 1859 in zijn werk On the Origin of Species. De verwantschappen en de verschillen tussen de verschillende levensvormen vormen het bewijs van het ontstaan van nieuwe soorten. Daarmee verviel de opvatting dat de soorten onveranderlijk waren en in de loop van de tijd steeds en ongewijzigd dezelfde eigenschappen en kenmerken hadden bewaard. De theorie van de evolutie stond haaks op de theologische opvatting van een onveranderlijke schepping en daaraan verbonden scheppingsordeningen.

Volgens Darwin waren de soorten, zowel bij planten als bij dieren, in de loopt der tijd veranderd. Die veranderingen waren het gevolg van een voortdurende strijd om te overleven. Door deze strijd ontstond een selectie. De meest succesvolle overlevenden hielden hun soort in stand. Daardoor ontstonden ook steeds beter aangepaste soorten, zowel bij dieren als bij planten. Darwin opperde (1872) tevens dat wellicht ook de mens zelf een product kon zijn van dit evolutionaire mechanisme, een opvatting die later door de ontwikkeling van de wetenschap van de afstamming van de mens werd bevestigd. De paleontologie, zowel van dier als van mens, heeft inmiddels een enorme hoeveelheid materiaal aangedragen, vooral in de vorm van fossielen, als bewijs voor de juistheid van deze theorie. De theorie van de selectie is inmiddels aangevuld met onder meer door die van de catastrofes. Ook externe factoren hebben invloed op selectie. Soorten verdwenen, niet alleen door natuurlijke selectie, maar ook door bijvoorbeeld catastrofale vulkaanuitbarstingen of door inslagen van grote meteorieten.

 

De evolutietheorie veranderde radicaal de visie op mens en natuur. De natuur was niet langer het statische toneel waarop zich de geschiedenis van de mensheid afspeelde. De natuur bleek zelf ook een geschiedenis te kennen. De evolutietheorie bracht als het ware de geschiedenis in de natuur en legde daarmee een verband tussen natuurwetenschap en de beoefening van geschiedenis. Een aantal wetenschappers van de universiteit van Gent in BelgiŽ hebben onder leiding van Tom Schoepen deze totale geschiedenis door middel van een tijdsbalk in beeld gebracht onder de titel: Tijdsbalk van de menselijke evolutie, kennis en cultuur, 15 Miljard jaar geschiedenis met 5000 jaar overzicht van de letterkunde, kunst, muziek, recht, wereldreligies, filosofie, wetenschappen en technologie. Deze visualisering schenkt ons in ťťn oogopslag een blik op een reusachtig historisch proces en van de worteling van de cultuur in de natuur.

 

2.7 Wetenschappelijke geschiedschrijving

De vooronderstelling van de moderne geschiedschrijving, is de erkenning van het bestaan van een verleden dat met geŽigende middelen in het heden valt te construeren.[6] Deze vooronderstelling komt tot uitdrukking in datgene wat tegenwoordig wordt aangeduid met: Ďwetenschappelijke geschiedschrijvingí, of historiografie. Het wetenschappelijke slaat dan in de vooronderstelling op geŽigende middelen, geschiedenis in de term geschiedschrijving op het bestaan van een verleden en het beschrijven van dat verleden op de mogelijkheid van construeren. De drie elementen in deze vooronderstelling: verleden, beschrijving en wetenschap hebben zelf ook een ontwikkeling doorgemaakt. Daarin is het oudste element het besef van een verleden. De mogelijkheid om dit verleden te construeren is een latere ontwikkeling en het gebruik van wetenschappelijke middelen is een laatste ontwikkeling.

 

Reeds vroeg moet de mensheid een besef van geschiedenis hebben gehad. Over het verleden ontstonden verhalen in de vorm van mythen en sagen. De mythen gaven uitleg over de goden, bijvoorbeeld over hun rol bij het ontstaan van de wereld, de mensen, de dieren en de natuur en hun interventies in de mensenwereld. In de sagen werden de heldendaden van het voorgeslacht verteld. Tevens lieten zij zien waar het volk, waartoe men behoorde, vandaan kwam en legitimeerden ze allerlei bestaande gebruiken en levensgewoonten, door ze in het verleden te verankeren. De verhalen over het verleden werden van generatie op generatie doorverteld, waarschijnlijk door rondtrekkende liedzangers, die zichzelf begeleiden met een muziekinstrument. Daarom zijn ze meestal in de vorm van poŽzie overgeleverd. Op deze wijze ontstond een mondelinge overleveringstraditie, waarin het verleden aan de vergetelheid werd ontrukt en in het heden present werd gesteld.

 

Een volgende stap in de ontwikkeling van de historiciteit kwam met de uitvinding en toepassing van het schrift. Daarmee begon de eigenlijke historiografie, de vastlegging op schrift van de mondelinge overgeleverde verhalen over het verleden. Ook deze literaire historiografie had aanvankelijk mythen en sagen als inhoud en als vorm de poŽzie. Eťn van de oudste voorbeelden daarvan is de Ilias van de dichter Homerus. Daarin wordt een oorlog beschreven tussen Grieken en de inwoners van de stad Troje in Klein-AziŽ, het huidige Turkije. Of deze oorlog daadwerkelijk heeft plaatsgevonden is onzeker. In 1872 toonde Schliemann aan dat de stad Troje in ieder geval daadwerkelijk had bestaan. De Ilias werd omstreeks 800 v.g.j. (voor gebruikelijke jaartelling) samengesteld, waarschijnlijk uit bestaande mondeling overgeleverde liederen. De inhoud van deze liederen behoorde tot de Griekse mythologie. Een voorbeeld daarvan is het verhaal waarin de Griekse legeraanvoerders vanwege aanhoudende windstilte met hun schepen niet richting Troje konden uitvaren. De ziener Kalchas verklaarde dat de godin Artemis de wind tegenhield, omdat Agamemnon, ťťn van de legeraanvoerders deze godin zwaar beledigd had. Hij kon dat alleen goedmaken door zijn eigen dochter Iphigeneia te offeren. Op het moment van het offer kreeg Artemis echter medelijden met haar en liet haar in leven.

 

Minder mythische en meer historisch betrouwbaar was de geschiedschrijving van Herodotus, die ruim drie eeuwen later leefde dan Homerus, namelijk van 485 tot 425 v.g.j.. Hij geeft zelf aan dat hij het waarheidsgehalte van zijn verhalen niet altijd kan peilen. Ik weet niet wat de waarheid is, ik vertel het verhaal zoals het mij is verteld. De klassieke periode heeft meer belangrijke geschiedschrijvers opgeleverd, zoals: Thucydides (460-399 v.g.j.), die schreef over de oorlog tussen Athene en Sparta, Caesar (100-44 v.g.j.) met zijn geschiedschrijving over de oorlog in GalliŽ en Flavius Josephus (37-begin 2e eeuw) over de oorlog tussen Romeinen en Joden. Eusebius (ca.260-ca.339) schreef een wereldgeschiedenis waarin hij Griekse en Romeinse geschiedenis verenigde met die uit het Oude Testament. Ook de middeleeuwen leverde veel soortgelijke geschiedschrijving op, zoals in Nederland Jacob van Maerlant(1230-ca.1285) met zijn wereldgeschiedenis in zijn Spiegel Historiael.

 

Het gebruik van wetenschappelijke middelen in de historiografie begon aarzelend in de 17e eeuw en kwam goed op gang in het begin van de 19e eeuw. Toen kwamen historici, onder invloed van het empirisme, tot het inzicht dat historische kennis alleen dan wetenschappelijk genoemd kan worden als deze op waarnemingsgegevens gebaseerd was. De geschiedbeoefening maakte zich toen los van het literaire genre en disciplineerde zich tot wetenschap. Grondslag voor de geschiedschrijving werden de primaire bronnen en niet wat de traditie allemaal als geschiedenis had aangereikt. Dit uitgangspunt heeft ook geloof en theologie niet onberoerd gelaten. Het zoeken en vinden van primaire bronnen in de bijbel leverde een ander geschiedenisbeeld op van de bijbelse tijden dan de traditie aanreikte.

 

In Duitsland kwam voor het eerst het streven op naar een verklaring van het menselijk verleden, waartoe wetenschappelijk onderzoek was vereist. Hier werd voor het eerst de geschiedenis als wetenschap beoefend, terwijl dit in Frankrijk en Engeland pas in de tweede helft van de 19e eeuw op gang kwam. In Duitsland verscheen in 1826 het eerste deel van Monumenta Germaniae Historica, waarin opgenomen Duitse historische bronnen. De publicaties van bronnen stimuleerde archiefonderzoek. Duitsland was ook het eerste land, waar het wetenschappelijk onderzoek in de geschiedenis aan de universiteiten werd onderwezen. Eťn van de eerste bekende hoogleraren was Leopold von Ranke (1795-1886). In Nederland werden bekende namen op dit gebied: Robert Fruin (1823-1899) in Leiden met veel publicaties over de Tachtigjarige Oorlog en de Gouden Eeuw, en Huizinga (1872-1945) met zijn De herfsttij der middeleeuwen.

 

Al gauw kwam de vraag op naar het doel van geschiedschrijving. Veel historici, vanaf Leopold von Ranke (1826) tot en met Hans Georg Gadamer (1965), zagen en zien deze in het streven naar wereldgeschiedschrijving.[7] Volgens de pluralistisch-mondiale opvatting kan dat alleen als de geschiedschrijving wordt geplaatst in het kader van de geschiedenis van de mensheid. Volgens de partocentrische opvatting komen echter alleen die delen van de mensheidsgeschiedenis voor geschiedschrijving in aanmerking, die van eminente betekenis waren voor de geschiedenis van de gehele mensheid. Maar andere historici huldigen de opvatting dat een wereldgeschiedenis onmogelijk is. Geschiedenis legt de nadruk op het bijzondere en dat bijzondere kan niet in een totaalbeeld worden verwerkt. Een ander argument is de oneindige hoeveelheid themaís die de geschiedschrijving aan de orde kan stellen. Veel historici ervaren het streven naar een totaalbeeld daarom als onwenselijk. Deze opvatting stimuleert het specialistisch onderzoek, maar brengt tevens het gevaar met zich mee van vergruizing van de geschiedschrijving. Het geheel van de geschiedschrijving wordt onsamenhangend en chaotisch. Daardoor dreigt de teloorgang van een onderzoekstraditie en het verdwijnen van geschiedschrijving uit de wetenschap. Er wordt daarom weer gezocht naar samenbindende modellen, zoals bijvoorbeeld door Chris Lorenz in zijn De constructie van het verleden (1987)[8], door Fred Spier in Geschiedenis in het Groot, met aandacht voor de geschiedenis van alle mensen, van het leven op aarde, van onze planeet, van het zonnestelsel en het gehele heelal (1999)[9], door Tom Schoepen in een muurbrede poster van de wereldgeschiedenis (2001)[10], en een alles omvattende geschiedenis van 15 miljard jaar, van oerknal tot en met de recente geschiedenis van de mensheid, door David Christian (2004)[11].

 

2.8 Sociale wetenschappen

De sociale verhoudingen en het gedrag van mensen was in vroegere eeuwen bij uitstek het terrein van geloof, kerk en theologie. In de middeleeuwse voorstelling van de werkelijkheid werd de mens gezien als een wezen dat beschikte over verstand, geheugen en wil. Ook hierin zat een zekere hiŽrarchie waarin de wil als hoogste kwaliteit van de menselijke geest werd beschouwd. De bemoeienis van God met de mens uitte zich daarom met name op alles wat met die wilte maken had.Geloof, kerk en theologie waren als gevolg van deze opvatting de behoeders van normen en waarden in de samenleving en de grondslag voor ethisch handelen. Deze opvatting heeft een taai leven gehad tot in onze tijd toe waarin velen, als zij het nut van kerk en geloof voor de samenleving nog willen aangeven, het waarborgen van normen en waarden en het ethisch handelen noemen. Opvallend genoeg ontbrak in het middeleeuwse mensbeeld gevoel als een aparte categorie naast verstand, geheugen en wil.

 

Vanaf de 19e eeuw werd de rol van theologie en filosofie ten aanzien van sociale verhoudingen en het gedrag van mensen teruggedrongen door de opkomst van de sociale wetenschappen. Aanvankelijk ontwikkelden zich deze wetenschappen binnen de kaders van de natuurwetenschappen, maar in de 19e eeuw maakten zij zich ook daarvan los en werden zelfstandig met voor hun vakgebieden passende onderzoeksmethoden. De eerste die dat ondernam op het terrein van de psychologie was Wilhelm Wundt (1832-1920). Ondanks zijn natuurwetenschappelijke oriŽntatie, die hij als medicus meebracht, raakte hij overtuigd dat lang niet alle psychische verschijnselen uit fysische processen verklaard konden worden. In 1875 stichtte hij het eerste instituut voor psychologisch onderzoek te Leipzig. Ruim tien jaar later werd zijn instituut door de universiteit officieel erkend. Vanaf dat moment bestaat er een zelfstandige wetenschappelijke psychologie. De methode van onderzoek was vooral die van het experiment en analyse van de resultaten. Maar daarin volgde hij niet zonder meer zijn voorgangers, die het psychische louter zagen als een door wetmatigheden bepaald proces. Wundt zocht naar de sturing van dit proces en vond deze in de apperceptie, het richten van opmerkzaamheid op een bepaalde inhoud. Mensen selecteren hun gewaarwordingen met behulp van door hen gestelde doelen. Met deze methode kwam er tevens ruimte voor gevoelens. Hij zag in dat mensen naar bepaalde doelen streven, doelen die ook mede bepaald worden door driften en neigingen. Het initiatief van Wundt kreeg navolgers in de verschillende universiteiten waarbij het ene instituut zich meer richtte op onderzoek van het denken, bijvoorbeeld Parijs (Binet) en Mannheim (Selz) en andere op onderzoek van het willen, zoals bijvoorbeeld in Leuven (Michotte en PrŁm). Tevens ontstonden steeds meer specialisaties, waarvan de meest bekende zijn de dieptepsychologie van Sigmund Freud (1856-1939) en C.G.Jung (1875-1961) en de gestaltpsychologie van M. Wertheimer (1880-1943), W. KŲhler (1887-1967) en K. Koffka (1886-1941) en de ontwikkelingspsychologie van J. Piaget (1896-1980). Inmiddels neemt de differentiatie binnen de psychologie door de groei van het aantal specialisaties alsmaar toe. Er kwamen subdisciplines als bijvoorbeeld psychotherapie - die intern ook weer uiteenwaaiert in talrijke verschillende psychotherapieŽn -, interculturele psychologie, sociale psychologie, arbeids- en organisatiepsychologie, selectie psychologie, klinische psychologie en gezondheidspsychologie. Door de toename van specialisaties werd de eenheid van de psychologische wetenschap echter verbroken en ontstonden er, vanaf 1900, een groot aantal psychologische systemen, die tot op de huidige dag door verschillende doelstellingen worden beheerst, die elkaar soms bestrijden en die de werkers verdeelt in verschillende stromingen en kampen. Daardoor heeft deze wetenschap nog geen vast omschreven object gevonden, noch eenheid van methode gerealiseerd. Het is in feite een conglomeraatwetenschap geworden, bestaande uit een groot aantal subdisciplines, waarvoor een gemeenschappelijk theoretisch kader ontbreekt. Het beeld van een caleidoscopische wetenschap deelt de psychologie overigens met de andere sociale wetenschappen. De ontwikkeling van de sociologie en van de pedagogiek vertoont hetzelfde beeld.

 

De sociologie als zelfstandige wetenschap begon haar ontwikkeling bij Auguste Comte (1798-1857). Hij onderscheidde twee typen sociologisch onderzoek, die van maatschappelijke statica en die van maatschappelijke dynamica. De statica bestudeert de aspecten die een samenleving mogelijk maken, zoals bijvoorbeeld instituties. De dynamica onderzoekt de ontwikkeling van samenlevingen. Comte stelde ook een theorie over sociale verandering op. Adolphe Quetelet (1796-1874) voorzag de sociologie van de wiskundige benadering en paste metingen toe op grote schaal. Daarmee ontdekte hij regelmatigheden in het sociale leven en formuleerde hij het concept van de gemiddelde mens. Herbert Spencer (1820-1903) introduceerde in de sociologie het sociale evolutieprincipe: eenvoudige samenlevingen groeien naar complexe samenlevingen, een groei die zich laat traceren van families, via clans en stammen tot naties en staten. Maar de belangrijkste onderzoeksthemaís voor de sociologie werden aangedragen doorKarl Marx (1818-1883), Emile Durkheim (1857-1917), Max Weber (1864-1920) en Georg Simmel (1858-1918). Zij allen bestuurden de kenmerken van moderniteit. Volgens Marx wordt die gekenmerkt door de verhouding van de bezitters van de productiemiddelen en de niet-bezitters, een situatie die door conflicten heen zal worden opgeheven. Bij Durkheim gaat het niet om een conflict, maar om deregulering in de samenleving door verkeerde arbeidsdeling. Weber ziet het gevaar in een te ver doorgevoerde rationalisering van de samenleving en Simmel in objectivering en ontmenselijking van sociale relaties. De onderwerpen: structurele tegenstellingen, ontregeling, rationalisering en ontmenselijking gaven de sociologie als wetenschap vorm en inhoud. Maar ook in deze wetenschap ontstond een vergaande differentiŽring, die leidde tot het ontstaan van tal van subdisciplines met uiteenlopende en soms aan elkaar tegengestelde doelen en methoden, zoals de structureel functionalistische sociologie, de conflictsociologie, de cultuursociologie en met name de huidige microsociologie, die uitwaaiert in talloze vormen van sociologie, zoals onder meer: het symbolisch interactionisme, fenomenologische sociologie en etnomethodologie. Heden ten dage bestaat er eigenlijk geen overkoepelende formele sociologie meer. [12]

 

Ook de pedagogiek als sociale wetenschap ontkwam niet aan een verregaande differentiatie. Haar oprichter als zelfstandige wetenschap Wilhelm Dilthey (1833-1911) had voor een strak programma gepleit. In 1888 opperde hij in Duitsland de mogelijkheid van een algemene wetenschappelijke pedagogiek met drie taken. De eerste taak zag hij in een historische beschrijving van de opvoeding vanaf de opvoeding in stamverband bij de natuurvolkeren tot en met het moderne schoolsysteem. Vervolgens moest een wetenschappelijke pedagogiek zich bezighouden met de analyse van deelonderwerpen, zoals bijvoorbeeld normen en waarden, spel, aanschouwelijkheid en interesse. Als derde taak zag hij de ontwikkeling van een algemene didactiek. Maar al spoedig ontstond een breed scala aan subdisciplines, zoals pedagogische psychologie, sociaalpedagogiek, vergelijkende pedagogische wetenschap, orthopedagogiek, schoolpedagogiek en onderwijskunde, andragogiek, godsdienstpedagogiek, feministische pedagogiek, multiculturele pedagogiek en gezinspedagogiek.

 

2.9 Internet

Het is prematuur om het internet, vanwege zijn bestaan en geschiedenis van amper 40 jaar, op te nemen in het overzicht van markante ontwikkelingen van de wetenschap. De ontwikkelingen van dit medium duiden echter op ingrijpende veranderingen in het wetenschappelijk bedrijf, zodat enige aandacht gewenst is, temeer daar ťťn van de veranderingen wijzen in de richting van een veel verdergaande differentiatie dan tot nu toe van vak- en kennisgebieden van wetenschap.

 

Internet bestaat vanaf 1969. In 1962 besloot het Amerikaanse ministerie van Defensie een computernetwerk te bouwen waarmee Amerika een eventuele aanval met atoomwapens zou kunnen weerstaan. Daarvoor waren computers nodig die niet, zoals op dat moment gebruikelijk was, lineair waren geschakeld, maar in een soort web, zodat bij uitval van een computer door oorlogshandelingen niet het gehele systeem ontregeld zou zijn. Enkele universiteiten in CaliforniŽ kregen de opdracht een systeem te ontwikkelen. Daarmee werd de wetenschap bij de ontwikkeling betrokken, een betrokkenheid, die zij vanaf 1972 aanwendde voor eigen wetenschappelijk onderzoek, met een jaar later de eerste internationale interuniversitaire verbindingen. Het in webgeschakelde netwerk was vanaf 1969 operationeel onder de naam Arpanet (Advanced Research Projects Agency Network) en kreeg in 1974 de naam Internet, toen inmiddels verschillende elders opgerichte netwerken, zoals onder meer het National Science Foundation, met elkaar waren verbonden, mogelijk gemaakt door een wereldwijde algemeen toepasbare netwerktaal. In 1984 verdween het militaire gedeelte en werd het netwerk vrijwel uitsluitend gebruikt door de academische wereld en overheidsinstellingen. Vanaf 1989 kreeg ook Nederland een aansluiting op het net. In 1994 ontstond het commerciŽle World Wide Web (www), dat voor iedereen toegankelijk was. Dit bracht een explosieve groei van het net met zich mee, zowel in gebruikersaantallen, momenteel (2004) geschat op 10 miljoen per dag, als in omvang en soorten gebruik.

 

Hoewel de wetenschap aan de wieg stond van het internet, is de betekenis van dit medium voor de wetenschap zelf nog onduidelijk. Naast e-mail gebruik raadplegen veel academici het internet voornamelijk om algemene en vluchtige informatie te lezen. Maar voor het zoeken van wetenschappelijke literatuur gaat hun voorkeur nog steeds uit naar conventionele methodes. Wetenschappelijk werken met internet vereist specifieke methoden en vaardigheden waarover nog veel academici niet beschikken. Bovendien zijn er nog problemen als de snelle veroudering van de informatie op internet, het achterhalen van bronnen en het daarmee samenhangende vraagstuk van de verifieerbaarheid, wat bij wetenschappelijk werk noodzakelijk is. Het aantal middelen, zoals verschillende soorten zoekmachines, hotlist en links, elektronische magazines (e-zines), mailing lists (automatische e-maillijsten), portalen, zoals bijvoorbeeld History Channel, discussielijsten, hompages van theoretici, overzichten van conferenties en lijsten met namen en adressen van wetenschappers, breidt zich echter gestaag uit, waardoor dit soort problemen oplosbaar schijnen te zijn. Door het internet ontstaan ook nieuwe vormen van wetenschapsbeoefening, zoals de mogelijkheid van surfen op het net als begeleiding van lopend onderzoek, waardoor het onderzoek telkens verrijkt kan worden metnieuwe projecten en bronnenmateriaal, waardoor een continu proces ontstaat van voortdurend aanvullen en verbeteren. Er ontstaan ook universitaire discussieruimten op het internet, waarbij alle docenten en studenten van een universiteit kunnen worden betrokken, waarmee sensibilisering voor een problematiek en versterking van de bekwaamheid tot bespreking worden bevorderd. Het wetenschappelijk discours krijgt daarmee het karakter vaneen soort informatiemarkt gebeuren. Daarin krijgt de informatievoorziening anarchistisch trekjes, die in merkwaardige tegenstelling staat met het medium zelf, dat bestaat uit een strak beheersmodel. Het lijkt er dus op dat informatisering en digitalisering van de wetenschap een stimulans met zich mee brengt tot voortgaande vergruizing van de wetenschap. Er zijn echter ook tegenbewegingen waarneembaar, zoals virtuele gemeenschappen, waarin mensen met dezelfde interessen elkaar vinden.

 

3 Wetenschappen

 

De korte schets van de ontwikkeling van de wetenschap laat zien dat de eenheid binnen de wetenschap verloren is gegaan. Wetenschap is uiteengevallen in wetenschappen. Dat is evident voor de wetenschappelijke geschiedschrijving en voor de sociale wetenschappen. Volgens de Franse socioloog Bruno Latour ontsnappen ook de andere wetenschappen niet aan de zuigkracht van deze ontwikkeling. Veel wetenschappers zijn inmiddels overtuigd van het onophefbare historische karakter van de wetenschap[13], waarin niet het wetenschappelijke als de representatie van een objectieve, onafhankelijke bestaande realiteit, maar de keuzen van wetenschappers voor de te onderzoeken objecten en methoden van onderzoek de ontwikkeling van de wetenschap bepalen.[14] Ook anderen onderschrijven dit inzicht. Volgens Thomas Kuhn is het niet de realiteit die binnen een wetenschappelijke discipline bepaalt wat en hoe er onderzocht moet worden, maar de groep wetenschappelijke onderzoekers. Wat binnen deze groep aanvaard wordt als zinvol onderzoek, stuurt de ontwikkeling van de wetenschap.[15] Daarin kan dan de oorzaak gevonden worden van het uiteenvallen van wetenschap in wetenschappen. In brede kring wordt de fundamentele pluriformiteit van de wetenschappen aanvaard. Inmiddels ontstaan initiatieven om, met behoud van deze pluriformiteit, toch weer de eenheid van de wetenschap tot stand te brengen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in projecten van integratieve wetenschap, die wellicht te vergelijken vallen met de oecumenische beweging binnen het pluriforme bestel van de kerken.

Als er dus sprake is van het discours godsdienstige traditie en wetenschaphoudt dit een vereenvoudiging in van een in feite complexere werkelijkheid. Godsdienstige traditie en wetenschap waren wellicht in het verleden herkenbaar als eenheden, maar hebben beide een groeiproces doorgemaakt waarin de interne eenheid niet meer bestaat.

 

4 Het discours godsdienstige traditie - wetenschap

 

4.1 Inleiding

De korte schets van enkele markante ontwikkelingen van de wetenschap toont aan dat in een tijdspanne van een half millennium godsdienst en wetenschap uit elkaar zijn gegroeid. Hun huidige relatie kan op drie manieren worden ingevuld: of als wederzijdse negatie, waarin de een de ander als overbodig beschouwt, of als conflict waarin de een de ander heftig bestrijdt, of als samenwerking, waarin gezocht wordt naar wederzijdse betekenis, erkenning en verrijking. Deze drie mogelijke verhoudingen zien er in schema als volgt uit.

 

 

4.2 ††Het separatiemodel, wetenschap en godsdienst als gescheiden werkelijkheden

 

Fundamentalisme

Binnen dit model zijn godsdienst en wetenschap in twee kampen uiteengevallen. Er blijft geen andere keuze over dan te kiezen of voor het ene of voor het andere kamp, of voor wetenschap of voor godsdienst. Hoewel sommigen de kunst verstaan van de opportunist en zich naar gelang de omstandigheden waarin ze verkeren, soms in het ene en soms in het andere kamp ophouden. De keuze voor een van de kampen sluit als het ware iemand op binnen de grenzen van een specifiek cultureel erfgoed. Voor dit soort kluizenaars bestaat geen andere horizon dan de mogelijkheden van het gekozen culturele veld. Binnen een godsdienst staat deze houding bekend als fundamentalistisch. De term fundamentalisme ontstond in het begin van de 20e eeuw als naam voor een beweging onder rechtzinnige christenen in de Verenigde Staten, die de fundamenten zoals zij die zagen van het christelijk geloof veilig wilden stellen tegenover de evolutietheorie en het historisch-kritisch onderzoek van de bijbel. Binnen de wetenschap bestaat voor deze houding geen gangbare term, maar het begrip fundamentalistisch zou ook hier van toepassing kunnen zijn.

 

Godsdienstig fundamentalisme

Als standpunten niet ter discussie worden gesteld, ontstaat fundamentalisme. Als gelovigen niet bereid zijn hun geloofsuitspraken en geloofsopvattingen door bijvoorbeeld de wetenschapsbeoefening te laten onderzoeken, sluiten zij zich buiten het discours van wetenschap en godsdienst.

 

Fundamentalisme van Joodse of christelijke godsdienst uit zich bijvoorbeeld in het onverkort vasthouden van de historiciteit van bijbelse verhalen. Het eerste verhaal van de bijbel beschrijft het ontstaan van de wereldwerkelijkheid, of zoals in geloofstaal uitgedrukt: de schepping der wereld. Deze schepping kwam, volgens het bijbelse verhaal, in zes dagen tot stand. Dit is in strijd met het huidige inzicht binnen de wetenschappen waarin het heelal voorgesteld wordt als een reeds 15 miljard jaar bestaand proces van voortdurende uitdijing. Sommige fundamentalisten willen de zeven dagen nog wel oprekken tot jaren of eeuwen, maar een miljarden jaren durend, nog niet afgesloten proces, wordt door alle fundamentalisten van de hand gewezen.

Ook de evolutieleer wordt door fundamentalisten buiten de deur gehouden. Zij vinden deze wetenschappelijke opvatting strijdig met het kerkelijk leerstuk van de zondeval, beschreven in Genesis 3, en de daarmee verbonden geloofsopvatting van de erfzonde.

Fundamentalisten houden ook onverkort vast aan de letterlijkheid van bijbelse uitspraken in verband met het gedrag van mensen. Allerlei wetenschappelijke inzichten ten aanzien van bijvoorbeeld homoseksualiteit worden door hen niet serieus genomen, maar met verwijzing naar bijbelteksten van de hand gewezen. Een kenmerk van fundamentalisme is bijbelse uitspraken in direct verband te brengen met huidige morele vraagstukken. De tijd- en contextgebondenheid van teksten worden door hen niet erkend en niet ingezet tot kritische herziening van standpunten.

Fundamentalistische gelovigen, die zich vooral op de traditie oriŽnteren, laten zich leiden door de uitspraken van hun kerkleiders en verwerpen kritisch onderzoek met behulp van wetenschappelijke methoden. Een berucht voorbeeld daarvan is het gebruik van voorbehoedmiddelen. Of zij laten zich leiden door de onveranderbare Heilige Liturgie en weren de resultaten van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de veranderde verhouding tussen mannen en vrouwen.

Een fundamentalistisch voorzienigheidgeloof kan leiden tot het afwijzen van producten van wetenschappelijk onderzoek en industrie, zoals inenting en het gebruik van televisie.

 

Wetenschappelijk fundamentalisme

Omgekeerd kan ook de wetenschap zich buiten het discours godsdienst en wetenschap plaatsen, door kritische vragen, die door de godsdienst aan de wetenschapsbeoefening gesteld worden, buiten de deur te houden.

 

Fundamentalisme van wetenschap uit zich bijvoorbeeld in de overmoedige opvatting dat wetenschap alles kan. In de 19e eeuw was het besef van die macht de achtergrond van het sciŽntisme, waarin uitgegaan werd van de opvatting dat de natuurwetenschappelijke methode op alle domeinen van werkelijkheid en samenleving zinvol toegepast kon worden. In het sciŽntisme leeft de overtuiging dat alleen de wetenschap beschikt over de ware weg tot kennis, de enige methode die een adequate wereldbeschouwing kan opleveren. Openbaring en traditie als kennisbronnen worden volstrekt van de hand gewezen. Dit wetenschappelijk fundamentalisme wordt in onze tijd nog aangetroffen bij de TOE-fysici[16] die op zoek zijn naar een volledige consistente geŁnificeerde theorie, waarin alles verklaard kan worden. Als die gevonden is kunnen alle mensen, filosofen, geleerden en gewone mensen, deelnemen aan de discussie over de vraag waarom wij in het heelal bestaan. En als wij het antwoord op die vraag kennen, als bekroning van het menselijk verstand, kennen wij de geest van God, aldus de theoretische natuurkundige Stephen Hawking.[17] Leon Lederman noemt het zoeken naar deze theorie Ďhet allernieuwste testamentí in de betekenis van natuurwetenschap als een directe weg tot God.[18]

De exclusieve empiristische kennisopvatting, die stevig wortel heeft geschoten in de wetenschappen, kan tot het hanteren van fundamentalistische maatstaven leiden. Alles wat niet past binnen deze maatstaven wordt eenvoudigweg als niet bestaand beschouwd. De klachten van vele bewoners in Bijlmer bij Amsterdam, klachten waarvan de oorzaak gezocht werd bij de vliegramp met de ELAL Boeing in 1992, werden uiteindelijk niet ontvankelijk verklaard. Noch de bestaande literatuur over dit soort klachten, noch medisch en psychologisch onderzoek leverde een verklaring op. De conclusie was dat er geen klachten bestonden. Het begrip objectiveerbare ziekte of wetenschappelijk dubbelblind onderzoek en andere zaken ontkennen het feit dat er terdege iets mis was.

Andere vormen van wetenschappelijk fundamentalisme in het recente verleden waren de als wereldbeschouwing gepropageerde en door vele wetenschappers ondersteunde rassenleer en het wetenschappelijk socialisme. Een rest van dit soort fundamentalisme treft men nog aan bij wetenschappers die een vrij en onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek voorstaan en lastige ethische vragen uit de weg gaan.

 

4.3 Het warfaremodel

 

Creationisme en godsdienstkritiek

Naast wederzijdse negatie kunnen de beide kampen de strijd met elkaar aangaan. Daarin opent het ene kamp de aanval op het andere en zal deze laatste reageren met verdediging. Een markant voorbeeld van een aanval vanuit het kamp van godsdienstig geloof op dat der wetenschap was het creationisme waarmee de wetenschappelijke evolutieleer werd aangevallen. De strijd tussen aanhangers van het creationisme en voorstanders van de evolutietheorie is nog niet geheel uitgewoed. Het strijdtoneel ligt vooral op het terrein van het onderwijs en heeft daardoor een schoolpolitiek karakter gekregen. Zowel in de Verenigde Staten als in Nederland probeerden creationisten de evolutietheorie met wisselend succes uit de schoolprogrammaís en uit de examens te verwijderen.[19] De laatste discussie daarover werd in Nederland in de volle breedte van de pers nog in 1995 gevoerd en in Groot-BrittanniŽ in het voorjaar van 2002. Creationisten vinden de evolutieleer schadelijk voor het geloof. Volgens hen tast deze leer de geloofwaardigheid van de scheppingsleer (creatio) aan. De huidige creationisten zien de evolutieleer in strijd met hun geloofsopvatting waarin de schepping plotseling is ontstaan, door God uit het niets tot stand is gebracht in zes dagen en minder dan tienduizend jaar geleden. Mensen en apen hebben geen gemeenschappelijke voorouders en de verschillende soorten zijn niet door evolutie ontstaan, maar door God gevormd. De verschillende geologische lagen en ook het bestaan van fossielen verklaren zij als gevolgen van een wereldwijde zondvloed waarover de bijbel vertelt in het verhaal van Noach.[20]

 

Omgekeerd zijn vanaf Voltaire (1694-1778) regelmatig vanuit de wetenschap aanvallen ondernomen op godsdienstig geloof. Deze aanvallen zijn bekend geraakt onder de naam godsdienstkritiek. Klassiekevoorbeelden daarvan, waarvan de invloed in de samenleving nog steeds merkbaar is, zijn die van Karl Marx (1818-1883) vanuit de sociologie en van Sigmund Freud (1856-1939) vanuit de psychologie.

 

Marx zelf heeft eigenlijk geen zware aanval op godsdienst ingezet. In zijn ogen was de strijd al gestreden door mensen als zijn vriend Bruno Bauer en Ludwig Feuerbach. Godsdienstig geloof had daarin de nederlaag geleden en zou, zo was zijn overtuiging, vanzelf uit de samenleving verdwijnen, zeker als de mensen zich bewust zouden worden van hun werkelijke, vooral economische situatie, waarin zij leefden. Maar omdat hij als de grondlegger wordt beschouwd van het wetenschappelijk socialisme en de daaruit voortkomendebeweging van het communisme waarin godsdienst fel werd bestreden, kan hij gezien worden als de spil van deze Ďwarfareí tegen het geloof. Hoewel niet prominent in zijn sociologisch economische theorie aanwezig behoorde de godsdienstkritiek wel degelijk tot zijn denken. Godsdienstkritiek moest de weg vrijmaken voor politieke emancipatie. Het proletariaat moest ontwaken uit de roes waarin het godsdienstige de mensen gevangen hield. Bekend is zijn uitspraak: godsdienst is opium van het volk. Hij sloot aan bij het antropologische materialisme van Feuerbach en koos oppositie tegenover Hegel met zijn primaat van het geestelijke. De werkelijkheid valt niet uiteen in een materiŽle en een geestelijke. De ervaring van een gespleten werkelijkheid ligt in deze tastbare materiŽle werkelijkheid zelf en met name in de economische verhoudingen. Door de economie ervaren mensen de gespletenheid van het bestaan waarin een klasse mensen beschikt over de productiemiddelen en een andere, de grote meerderheid een klasse is van bezitlozen. Het geestelijke staat niet tegenover de materiŽle werkelijkheid, maar is van dezemateriŽle werkelijkheid een product. Mensen maken godsdienst en niet omgekeerd waarin het geloof mensen vormt. Mensen maken godsdienst als een verkeerd antwoord op de levenssituatie waarin zij verkeren. Volgens Marx is de eerste stap tot emancipatie de erkenning dat er geen zuiver denken en zuiver geloof bestaat los van de historische sociaal economische situatie. Denken en geloof zijn afhankelijk van de economische verhoudingen. De cultuur is als het ware op de economische verhoudingen gebouwd. Als deze economische verhoudingen veranderen, zal ook de cultuur veranderen. Dat gebeurt in een historisch dialektisch proces, waarin het spanningsveld van volk (proletariaat) en kapitaal de richting van deze ontwikkeling bepaalt. Anders gezegd: toenemende welvaart voor iedereen maakt godsdienst in de samenleving overbodig.

 

Zoals Marx godsdienst typeerde als een slecht product van een miserabele economische situatie, zo vatte Freud godsdienst op als een slecht restproduct van opvoeding. Freud zag de mens vooral als een wezen met hartstochten, met wensen en verlangens en als een wezen afhankelijk van ouders en in het volwassen stadium van de natuurmachten. Als jong kind komt dit wezen in botsing met de autoriteit van de ouders en met name de vader. Het kind moet leren zijn driften in te perken. Dat kan gelukken door sublimatie. Het kind leert dan zijn driften te richten op door de cultuur toegestane objecten, die verboden objecten, zoals bijvoorbeeld seks met de moeder en agressie ten aanzien van de vader (oedipuscomplex), vervangen. Gelukt dat niet dan worden driften in de kindertijd verdrongen in het onbewuste en geweerd uit het bewuste. Deze verdrongen driften uiten zich later, bijvoorbeeld in angstdromen of in dwanghandelingen, bij de volwassene in de vorm van neurosen. Zij uiten zich dus met name daar waar de mens weinig controle over zijn leven heeft: zijn droomleven en zijn onbewuste. De onopgeloste conflicten uit de kindertijd komen als neurosen in de volwassene tot leven. Zij stimuleren het scheppen van een illusoire kinderwereld waarin de wensen van vroeger alsnog kunnen worden vervuld. Zoals de individuele mens als kind zijn driften uit angst verdringt, zo heeft ook de cultuur in haar ontwikkelingsfase een periode doorgemaakt van verdringing. In die fase werden de natuurkrachten als het ware vermenselijkt tot boven de mens gestelde persoonlijke machten, de goden, zoals de moedergodin en de vadergod. Vergelijkbaar met de neurose ontwerpt de cultuur zich een illusoire wereld in de vorm van godsdienst. Als in de kinderwereld zoekt de culturele samenleving in het geloof gemeenschap met het goddelijke en vergeving van schuld, ontstaan door agressie tegenover dat goddelijke. Godsdienst is bij Freud een product van het oedipuscomplex en uit zich in illusie. Maar deze infantiele wereld van de illusie staat haaks op de werkelijkheid. Daarom kan godsdienst geen echte hulp bieden, wat de wetenschap wel kan, aldus Freud.

 

 

4.4 Het symbiosemodel

 

Theologie

In plaats elkaar te negeren of tegen te werken, kunnen wetenschap en godsdienst, universiteit en kerk ook samenwerken. Die samenwerking kan op verschillende manieren gerealiseerd worden. Een mooi voorbeeld daarvan is de beoefening van theologie in Nederland, waarin drie soorten van samenwerking voorkomen: godsdienstwetenschap of religiewetenschap, kerkelijke theologie, en theologie. In schema weergegeven:

 

Godsdienstwetenschap of religiewetenschap

Deze vorm oriŽnteert zich uitsluitend aan de wetenschap waarbij het godsdienstige object van onderzoek is. Met uiteenlopende wetenschappelijke methoden en paradigmata wordt het geloof onderzocht, gedocumenteerd en beschreven. Deze vorm van samenwerking vindt plaats onder de naam godsdienstwetenschap, of religiewetenschap. In deze vorm van symbiose van wetenschap en geloof is het niet noodzakelijk dat de wetenschappelijke onderzoeker zelf gelovige is. Het geloof kanvanuit een seculiere beschouwing als menselijk fenomeen object van onderzoek zijn, indien de methoden wetenschappelijk valide zijn. Bij deze vorm van samenwerking wordt in het discours wel gesproken over onderzoek vanuit een buitenperspectief, in tegenstelling tot een binnenperspectief dat te vinden is in de kerkelijke theologie aan de andere kant van het spectrum van het discours wetenschap en geloof.

 

Kerkelijke theologie

In tegenstelling tot godsdienstwetenschap oriŽnteert zich de kerkelijke theologie, binnen het symbiosemodel, op de godsdienst. Daarin worden wetenschappelijke methoden gebruikt voor zover deze het geloof betekenis kunnen geven en verhelderen. Het doel van deze theologie is verheldering van het zelfverstaan van de confessies. De wetenschappers van deze vorm zijn geŽngageerd met het geloof, veelal gericht op de confessie waartoe zij behoren. Deze kerkelijke theologie is confessioneel gebonden. Aangezien er een grote verscheidenheid aan confessies bestaat, kent deze theologie een hoge mate van diversiteit.

 

Theologie

Een derde mogelijkheid is een theologiebeoefening waarbij met wetenschappelijke methoden het geloof wordt onderzocht op zodanige wijze dat wetenschap en godsdienst wisselend object en subject kunnen zijn. Deze vorm wordt veelal aangeduid met de algemene term theologie. Het specifieke karakter van deze vorm van theologiebeoefening is bijvoorbeeld te vinden in de tweeslachtigheid van vakaanduidingen, zoals: geschiedenis van IsraŽl en theologie van het Oude Testament, Ďdogmenontwikkeling en dogmatiekí, praktische theologie met deeldisciplines als godsdienstpsychologie, godsdienstsociologie en godsdienstpedagogiek.

 

De verschillende oriŽntaties binnen het symbiosemodel leveren tevens verschillende organisatiestructuren op waarbinnen de theologiebeoefening plaats vindt zoals: confessionele universiteiten met een theologische faculteit (simplex ordo) en openbare universiteiten met een kerkelijke afdeling (duplex ordo).

 

In het huidige discours gaat de discussie in alle drie vormen van theologie onder meer over vragen als: innerlijke samenhang en eigenheid van de theologie en de vraag naar mogelijkheid en grenzen van toepassing op het onderzoeksobject: de geloofstraditie, van wetenschappelijke methoden, zoals de historische en literair-wetenschappelijke, de systematische en de menswetenschappelijke of sociaal-wetenschappelijke. Daarbij komt onder meer de vraag aan de orde of het onderscheid in simplex ordo en duplex ordo nog adequaat is om deze relatie vorm te geven. De onderzoeksmethoden worden namelijk in alle vormen van theologie toegepast.


Aantekeningen

 



[1] Deze indeling is ontleend aan Dante Alighieri De goddelijke komedie, omstreeks 1300 geschreven.

[2] Zie Margaret Wertheim De broek van Pythagoras, God, fysica en de strijd tussen de seksen, Amsterdam 1997, 56-58, 64, 70 en 74.

[3] Zie Vernissage 9/01 9.Jahrgang 91/D12804 E Heidelberg 2001 p.11.

[4] Het voordeel van de optie is dat de discussie open blijft. Daarvoor koos Andreas Osiander, die het De revolutionibus orbium caelestium (ĎOver de omwentelingen van de hemellichamení) van Copernicus uitgaf met een door hem geschreven inleiding, waarin hij, tegen de wil van Copernicus, de nieuwe theorie als een optie presenteerde. Een nadeel van de optie is dat ondeugdelijke theorieŽn kunnen blijven bestaan en de waarheidvinding aanzienlijk kunnen vertragen.

[5] Zie deze tekening uit: Ludolf Schultz Planetologie, eine EinfŁhrung, Berlijn 1993, p.16

[6] Zie Chris Lorenz, De constructie van het verleden, een inleiding in de theorie van de geschiedenis, Amsterdam 1994 (4e druk).

[7] Zie Johan Hendrik Jacob van der Pot Sinndeutung und Periodisierung der Geschichte Leiden 1999, p.7-10 Exkurs. Weltgeschichte als Erkenntnisziel der Geschichtswissenschaft.

[8] Chris Lorenz, a.w..

[9] Fred Spier, Geschiedenis in het Groot, een alomvattende visie, Amsterdam 1999.

[10] Tom Schoepen, World History Timeline, gent 2001.

[11] David Christian, Maps of time, an introduction to big history, Los Angeles 2004.

[12] John Vincke Sociologie, een klassieke en hedendaagse benadering gent 2000, p.286.

[13] Chris Lorenz De constructie van het verleden, een inleiding in de theorie van de geschiedenis, Amsterdam 1994 (vierde druk) p.19.

[14] Bruno Latour Science in action, 1987.

[15] Thomas Kuhn The structure of scientific revolutions, 1960.

[16] TOE staat voor: Theory Of Everything.

[17] Stephen Hawking A Brief History of Time, 1988, waarvan inmiddels meer dan vijf miljoen exemplaren zijn verkocht.

[18] Leon M. Lederman The God Particle.

[19] In de staat Arkansas in de Verenigde Staten was en wet aangenomen die docenten in de biologie verplichtte zowel de evolutietheorie als de creatietheorie evenveel aandacht.

[20] Dit is met name de opvatting van de Young Earth creationisten tegenover de Old Earth creationisten, die veronderstellen dat met de dagen in het scheppingsverhaal perioden zijn bedoeld.



< Terug naar inhoudsopgave