Aanvullende artikelen


Deze artikelen zijn verdere verdiepende bijdragen, behorende bij het hoofdartikel ‘Historiciteit en Spiritualiteit’.




< Terug naar inhoudsopgave

Discours wetenschap – mysterie

 

Inhoud

           

1 Inleiding

2 Het separatiemodel, wetenschap en mysterie als gescheiden werkelijkheden

3 De strijd tussen Durk Hak en Iteke Weeda, het warfaremodel

4 Moderne fysica, homeopathie, fenomenologie, parapsychologie,

contemplatieve psychologie, postmodernisme, moderne kunst, new age

Aantekeningen

 

 

1 Inleiding

 

Het discours wetenschap – mysterie is één van drie mogelijke discoursen in de westerse samenleving.

De grenzen van elk discours worden bepaald door de beide polen, die elkaar uitsluitend. In zijn absolute vorm kan wetenschap niets met mysterie en mysterie niets met wetenschap. Het zijn twee gescheiden werelden, die symbolisch kunnen worden weergegeven met het pictogram:  . Binnen het discours kunnen twee modellen onderscheiden worden. Het ene model bestaat uit een confrontatie tussen beide polen. Dit zogenaamde warfaremodel kan worden weergegeven met het pictogram: . De discussie is eigenlijk een strijdtoneel, een warfare. In het andere model wordt geprobeerd verbindingen te leggen naar beide polen, het zogenaamde symbiosemodel, weergegeven met het pictogram: . Het discours wetenschap – mysterie kan in schema met de deze drie pictogrammen als volgt worden weergegeven.

 

 

 

2       Het separatiemodel, wetenschap en mysterie als gescheiden werkelijkheden

 

Het separatiemodel gaat uit van een absolute breuk tussen mysterie en wetenschap. Volgens Eduard Buess is deze breuk ontstaan in een historisch proces, waarin de wetenschap in de westerse cultuur zich los heeft gemaakt van haar mythisch historische wortels.[1] Eeuwenlang bleef de kennis van de mens nauw verbonden met het mysterieuze. Wetenschap en mysterie vielen in dat stadium van ontwikkeling van de menselijke cultuur samen. Subject en werkelijkheid waren in deze magische periode nauw met elkaar verweven. Elk voorwerp, zoals bijvoorbeeld: kleding, werktuig, bron, woonplaats, heuvel, boom, vruchten en dieren, kon drager zijn van bovenmenselijke krachten. Het gehele leven was als het ware doortrokken met het bovennatuurlijke. Bijzondere mensen binnen een stamverband wisten met deze machten om te gaan, bijvoorbeeld met behulp van offers en toverspreuken. In het volgende stadium ontstond een zekere dialectiek tussen het logische en mythische, met aan de ene kant afgebakende levensterreinen voor het mysterie en aan de andere kant min of meer los daarvan terreinen voor het meer profane. In dit naïef mythische stadium bemiddelden de goden tussen beide levensterreinen. Pas in het derde stadium ontstond een breuk tussen beide, zodat de mens voor de keuze kwam te staan zijn leven in te richten naar het mysterie in de vorm van mystiek leven waarin het belang van de wereld werd ontkend, of het mysterie de rug toe te keren en zich op de wereldwerkelijkheid te richten. Dit leverde twee kampen op, die tot op de huidige dag elk haar vertegenwoordigers heeft. Het kamp van de wetenschap kent vele beoefenaren, die allerlei vormen van alternatieve wetenschap eenvoudig ontkennen en als niet ter zake doende terzijde schuiven. Het is een vorm van sciëntistisch fundamentalisme. Daartegenover staat een zeer gemêleerde groep mensen, die het mysterie verabsoluteren en het belang van reguliere wetenschap ontkennen.

 

Fundamentalisme ten aanzien van het mysterie

 

Een voorbeeld van verabsolutering van het mysterie is te vinden in de volgende tekst.[2] In deze uitspraken wordt eventuele controle door de reguliere geneeskunde afgewezen.

 

‘Het overgrote deel van de mensen wil nog steeds niet aanvaarden dat er wonderen gebeuren. Ze willen niet zien dat er dingen zijn die –gelukkig- niet wetenschappelijk te verklaren zijn. Men slikt liever medicijnen en laat zich door de medische wereld weerloos alles wijsmaken in plaats van zich open te stellen voor de positiviteit en vertrouwen te hebben in het werk van de Goddelijke wereld. Niet iedereen kan geholpen worden op de wijze zoals men dat graag zou zien. De een geneest, de ander overlijdt of moet een langdurig ziekteproces doormaken. Pas later, veel later zal het iedereen duidelijk worden waarom hij of zij dit leven op aarde heeft moeten lijden. We moeten beseffen dat we te maken hebben met een ongelooflijke kracht die in staat is om alles wat men ooit als wetenschappelijke stellingen heeft aangenomen te weerleggen. Het is een kracht die de wereld kan veranderen op het moment dat de mensheid daar klaar voor is.

 

In deze tekst van Jomanda en in vergelijkbare andere teksten wordt de relatie met het mysterie opgevat als een bewustwordingsproces waarin de individuele mens, via een lange inwijdingsweg, zichzelf in overeenstemming brengt met de werkelijkheid van een niet-materiële, geestelijke werkelijkheid. Die inwijdingsweg vergt zoveel tijd, dat één leven niet genoeg is. Daarom speelt de reïncarnatie in dit soort teksten een belangrijke rol. Een mens heeft meerdere levens nodig om de uiteindelijke geestelijke werkelijkheid te bereiken. Die werkelijkheid is voor de wetenschap onbereikbaar. Daarom is er geen wetenschappelijke controle mogelijk waarmee aangetoond zou kunnen worden of het doel wel of niet wordt bereikt. De kennis van het mysterie wordt langs andere weg verkregen dan de  wetenschappelijke kennis. Vanuit deze opvatting wordt wetenschappelijke kennis als een waan afgedaan. Wetenschap veronderstelt met elke nieuwe ontdekking een stap te kunnen doen in de richting van de waarheid. Maar kennis van de geestelijke werkelijkheid gaat uit van het bestaan van de waarheid, in de tekst van Jomanda benoemd als Goddelijke wereld. Deze kennis is een gegeven en het individu behoeft zich slechts deze kennis eigen te maken. Het is dus het ervaren van aanwezige kennis, tegenover wetenschap, die gericht is op het ontwikkelen van kennis. 

 

3  Het warfaremodel

 

De strijd tussen Durk Hak en Iteke Weeda

 

In 1997 breekt een strijd uit tussen Durk Hak en Iteke Weeda, beiden zijn als hoogleraren in de sociologie werkzaam aan de Rijks Universiteit in Groningen. Hak doet een aanval op Weeda en noemt haar de Jomanda in wetenschapsland. Weeda laat in haar wetenschappelijk werk veel ruimte voor het mysterie. Zij wil wetenschap en spiritualiteit op elkaar betrekken, waarbij de universiteit omgevormd wordt tot een soort ‘spirituele kennis-tempel’, met ook ruimte voor studies op het gebied van astrologie en reïncarnatie.  Haar methode bestaat uit zelfonderzoek naar de eigen emoties, gevoelens, voorkeuren, aversies, de waarde van persoonlijke transformatie alsook gemeenschapzin. Innerlijke beelden, kunstzinnige vormen, sprookjes en mythen kunnen het persoonlijke weten uitbreiden. Haar methode houdt het cultiveren in van de eigen intuïtie. Deze intuïtie helpt de wetenschap verder dan alleen empirisch onderzoek. Hak vindt dat daarmee het wetenschappelijke is losgelaten. Voor hem bestaat wetenschap uit kennis verkregen op empirische grondslag, waarbij iedereen de resultaten kan controleren en theorievorming volgens de wetten der logica. Theorieën die uitgaan van metafysische vooronderstellingen zijn niet wetenschappelijk. Wetenschap dient probleemoplossend bezig te zijn aan de hand van samenhangende betogen ondersteund met statistiek. Hak waarschuwt dat het wetenschappelijke bedrijf geen vrijplaats mag worden voor het bedrijven van magie. De kennis die Weeda nastreeft is alleen maar subjectief, zelfs niet intersubjectief, zoals de oude fenomenologie nog realiseerde. Weeda van haar kant verwijt Hak een eenzijdige manier van wetenschapsbeoefening en geen oog te hebben voor multirationaliteit. Daardoor worden veel fenomenen buiten gesloten en dat vindt Weeda weer onwetenschappelijk. Zij wil het bekrompen vooruitgangsgeloof van de empirische wetenschap doorbreken. Haar kritiek op Hak onderbouwde zij met de uitgave van een boek waaraan ruim zeventig auteurs, ook velen uit het universitaire leven, meewerkten.[3] (Iteke Weeda, Spiritualiteit en Wetenschap, Amsterdam 1996). Tot een echte dialoog tussen beiden kon het niet komen.

 

4  Het symbiosemodel

 

Moderne fysica, homeopathie, fenomenologie, parapsychologie, contemplatieve psychologie, postmodernisme, moderne kunst en new age

 

In het mysterie schuilt een paradox, die het discours wetenschap en mysterie in de vorm van het symbiosemodel, een ambivalent karakter geeft. Aan de ene kant nodigt het mysterie uit tot toenemende participatie aan de in het mysterie verborgen kennis, maar aan de andere kant voert het mysterie tot overgave aan het onkenbare waarin wordt afgezien van elke vorm van kennis.[4]  In dit discours worden voortdurend elkaar uitsluitende elementen en motieven met elkaar in verbinding gebracht zoals bijvoorbeeld het logische en mythische, het inzichtelijke en de verering, de empirische kennis en de intuïtie. Het is een onoplosbaar probleem in dit discours, waarin verenigd wordt, wat zich niet verenigen laat, maar waarin beide ook weer niet los van elkaar kunnen. Anders gezegd: in dit discours kan het mysterie zich niet volledig realiseren, maar zich ook niet volledig opheffen. Nog weer anders gezegd: het mysterie blijkt een macht te zijn, die de mens als subject tegemoet kan treden, maar tegelijk een macht die de mens overweldigend overkomt. Het is dus een discours vol innerlijke tegenstellingen en dialectiek. De paradox is bij uitstek een kenmerk in dit discours. Het discours kent talloze vormen, waarbij de ene vorm zich meer oriënteert aan de wetenschap, maar wel rekening houdt met het mysterie, de ander beide in een zeker evenwicht probeert recht te doen en weer een ander zich vooral richt op het mysterie, maar wel wetenschappelijke inzichten op de achtergrond laat meespelen. Er volgt nu een korte beschrijving van acht vormen, die uitgezet volgens hun oriëntatie, in het schema van dit discours het volgende beeld oplevert.

 

 

Moderne fysica

Na het in de ruimte brengen van vele satellieten ontstond de verwachting dat de weersomstandigheden minstens tien dagen van tevoren, of nog veel langer, voorspelbaar zouden worden. Vanuit een netwerk van meet- en observatiepunten werd het mogelijk weersystemen te volgen en hun ontwikkeling vrij nauwkeurig te voorspellen. Grote weersystemen, zoals de onderlinge verhouding van hoge en lage drukgebieden en luchtstromingen, bestaan ongeveer vijf dagen. Uitbreiding van de voorspelbaarheid van het weer kan alleen als tevens de kleine weersystemen, zoals bijvoorbeeld buiencomplexen, waaruit de grote ontstaan, op dezelfde wijze worden gemeten en geobserveerd. Dit vergt echter een enorme uitbreiding van het aantal meetpunten. Omdat deze kleine weersystemen slechts een levensduur hebben van ongeveer een dag, is de winst met een dergelijke grote investering van meetpunten slechts een dag, waardoor de voorspelbaarheid van het weer op zes dagen komt. Deze kleine weersystemen zijn op hun beurt weer gevormd uit subsystemen, die slechts enkele uren bestaan. Echt voorspelbaar zou het weer pas zijn bij meting van elke micro atmosferische luchtcirculatie, zoals de luchtverplaatsing, die de vleugelslag van een vlinder veroorzaakt. Want kleine verschillen in de begintoestand kunnen grote verschillen te weeg brengen in de verdere ontwikkeling van het systeem. Een vlinder kan een storm veroorzaken. Er zijn dus grenzen aan de voorspelbaarheid, zeker in een dynamisch systeem als het weer, en in vergelijkbare complexe systemen als de economie en fysiologie, zoals de organen hart, longen en hersenen. Het voorspelbare gedrag van dit soort systemen berust op statistische gegevens, waarin de betekenis van elke ‘individuele’ gebeurtenis voor het systeem in zijn geheel onvoorspelbaar blijft. Deze onvoorspelbaarheid breekt de moderne fysica open in de richting van het mysterie, waarin onvoorspelbaarheid een kernbegrip is. 

 

In het begin van de 20e eeuw meenden fysici eindelijk zover gekomen te zijn, dat zij het gebinte van de natuurwerkelijkheid konden doorzien en beschrijven. Door steeds verdere ontrafeling van de natuurwerkelijkheid kwamen zij tot de conclusie dat deze werkelijkheid was opgebouwd uit atomen. Atomen vormden de kleinste bouwstenen van elk fysiek lichaam, van sterren en planeten tot levende organismen als planten, dieren en de mens. Als triomf van dit inzicht werd in Brussel ten behoeve van de wereldtentoonstelling in 1958 een 102 meter hoog paviljoen gebouwd in de vorm van een model op het niveau van atomen. Het stelt een 165 miljard keer lineair vergroot ijzerkristal voor. De negen bollen zijn de atomen in dit kristal, verbonden door buizen, die de bindende krachten weergeven tussen de atomen. Inmiddels was reeds vanaf 1911 bekend dat het atoom zelf niet de kleinste bouwsteen was, maar ook weer bestond uit een samenstel van elementen. Het atoom zou bestaan uit een kern, die vrijwel de gehele massa van het atoom bevatte. De kern bestond uit protonen en neutronen. Rond die kern cirkelden in onvoorstelbaar hoge snelheid (honderd triljoen omlopen in één seconde) de elektronen, zoals de planeten om de zon. Maar deze elektronen hadden vrijwel geen massa en waren ten opzichte van de kern ongelooflijk nietig. Rutherford, die dit atoommodel opstelde, vergeleek ze met een paar vliegen in een kathedraal. Ook dit atoommodel is achterhaald, met name door de ontdekking dat de elektronen in vaste banen (schillen) cirkelen en tevens van de ene schil op een ander kunnen overspringen, waarbij pakketjes (quanta) energie worden opgenomen of afgegeven. Zo ontstond een fysica op het subatomaire gebied, waarin de natuurwetten van Newton niet meer bleken te gelden. Bovendien werden er naast de elektronen vele andere subatomaire deeltjes ontdekt, zoals onder meer: muon, tau, pion, kaon, eta, lambda, sigma. Atomen waren geen objecten meer in de gebruikelijke zin van het woord. Het bleek onmogelijk plaats en snelheid van een subatomair deeltje gelijktijdig te meten en vast te stellen. Indien een waarnemer de plaats er van berekende kon de snelheid niet worden vastgesteld en omgekeerd. Dat betekent dat subatomaire deeltjes eigenlijk geen plaats en geen snelheid hebben, maar deze in de waarneming krijgen. In metingen kunnen allerlei eigenschappen van subatomaire deeltjes worden waargenomen. Maar wat een atoom in zijn geheel is en hoe subatomaire deeltjes zich gedragen is niet met zekerheid te voorspellen. Het zijn waarschijnlijkheidsberekeningen op basis van statistisch gedrag, omdat het individuele gedrag van een subatomair deeltje onzeker is. Dit onzekerheidsprincipe van Werner Heisenberg was een uiterst moeilijk te verteren zaak in de wereld van de natuurwetenschap, maar niettemin niet meer weg te denken.

 

Het niet direct waarneembare van subatomaire deeltjes, het alleen statisch kunnen beschrijven van hun gedrag, het niet bestaan van een werkelijkheid los van onze waarneming, brengt de subatomaire fysica in de sfeer van het mysterie. Andere verschijnselen in de moderne fysica, die dit ook doen zijn bijvoorbeeld deeltjes die op een soort ‘telepathische’ manier met elkaar in contact blijven nadat ze van elkaar gescheiden zijn, het zogenaamde ‘Gedachten-experiment’ van Einstein, Podolsky en Rosen in 1935 en een definitief experiment in 1982 van de Franse fysicus Alain Aspect en zijn medewerkers. Daarmee wordt het bestaan van objectieve realiteit ondermijnd, tijd en ruimte zijn daarin met elkaar verbonden, er bestaat non-localiteit waarin huidige experimenten het verleden beïnvloeden, en sturende principes in de ontwikkeling van het heelal. In deze wonderlijke wereld van de moderne fysica overheerst de paradox. De paradox is bij uitstek het kenmerk van het mysterie. Er bestaan bijvoorbeeld twee elkaar uitsluitende, maar niettemin allebei zeer valide theorieën waarin licht of als een golfbeweging wordt beschreven, dus als louter energie, of als pakketjes fotonen, dus als materie (de golf-deeltje dualiteit). Anders gezegd: op subatomair niveau gaan massa en energie onophoudelijk in elkaar over. Ervaringen, inzichten en methoden, zoals bijvoorbeeld in de mystiek, die gangbaar zijn in de wereld van het mysterie werden bespreekbaar in deze vorm van natuurwetenschap. Maar de openheid binnen de moderne natuurkunde voor het mysterie, betekent nog niet dat deze fysica direct met het mysterie verbonden kan worden, zoals bijvoorbeeld ondernomen door de Amerikaanse natuurkundige Fritjof Capra met zijn boek De tao van fysica, een onderzoek naar de parallellen tussen moderne fysica en oosterse mystiek, en Gary Zukav met De dansende Woe-Li Meesters.[5] De directe verbinding die deze auteurs leggen tussen bijvoorbeeld het begrip energie en geest wordt door vele fysici afgewezen. Anderen gingen binnen het symbiosemodel voorzichtiger te werk, zoals A.van den Beukel met zijn gedachten over natuurkunde, mens en God.[6]

 

Homeopathie

Een ander voorbeeld van symbiose in het discours wetenschap en mysterie ligt op het terrein van de medische wetenschap. Homeopathie is een alternatieve geneeskunde, aan de ene kant verbonden met reguliere medische wetenschap, indien beoefend door artsen, met aan de andere kant een binding met de werkelijkheid van het mysterie. Deze vorm van geneeskunde wordt ook wel door mensen uitgeoefend die niet beschikken over een opleiding tot arts. In dat geval valt homeopathie buiten het symbiosemodel. Ik laat dit nu verder buiten beschouwing.

 

De oriëntatie op het mysterie komt vooral tot uiting  in de principes waar de homeopathie mee werkt. Homeopathie is een mengsel van reguliere wetenschap en mysterie. Reguliere geneeskunde en homeopathie werken beide met methoden als het bepalen van diagnose en het vaststellen van medicatie. Deze methoden worden in de universitaire opleiding voor het artsenexamen geoefend, waarbij voor de homeopathisch arts nog een aanvullende opleiding volgt met daarin oefening in de typisch homeopathische methode. Deze methode gaat uit van het principe dat het zieke lichaam  zichzelf kan genezen. Homeopathie spreekt de eigen geneeskracht van het lichaam aan en zet die in werking. Dat is de opvatting van de klassieke homeopathie.[7] Volgens de grondlegger van de klassieke homeopathie, Samuel Hahnemann (1755-1843), arts en chemicus, beschikt elk lichaam over levenskracht, of innerlijke vitaliteit. ‘Als de mens gezond is heerst de spirituele levenskracht (autocratie), die als Dynamis het stoffelijke lichaam (het organisme) leven doet, onbeperkt. Ze houdt al zijn delen in een bewonderenswaardige harmonische, levende werking, die zich uit in voelen en handelen, dat de met verstand toegeruste psyche zich vrij van dit levende, gezonde instrument kan bedienen voor de hogere bedoelingen van ons bestaan’.[8] Deze levenskracht bestaat in het lichaam in de vorm van een zelfregulerend systeem dat de natuurlijke levensprocessen in het lichaam in evenwicht houdt. Ziekten verstoren dit evenwicht. De homeopathische medicatie richt zich op versterking van dit systeem. De patiënt krijgt geneesmiddelen toegediend die dit zelfregulerend systeem prikkelen tot hogere activiteit. Evenals in de reguliere geneeskunde is het van groot belang de juiste medicatie in de juiste dosering, te vinden, passend bij een bepaalde aandoening. Meer dan in de reguliere geneeskunde gaat de homeopathie niet uit van algemene ziektebeelden, maar probeert inzicht te krijgen in het specifieke ziektebeeld van elke individuele patiënt. Deze individuele aanpak maakt onderzoek naar het effect van de genezing vrijwel onmogelijk, omdat onderzoek werkt met groepen patiënten in dubbelblind klinische situaties.[9] Volgens critici is homeopathie vanwege het moeilijk toetsbare effect meer geloof dan wetenschap.

 

Om het specifieke ziektebeeld van een individuele patiënt vast te kunnen stellen zijn tijdrovende consulten nodig. Samen met de patiënt bekijkt de homeopathische arts de klachten, lichamelijke en geestelijke, in hun samenhang. Dat gebeurt aan de hand van vele vragen, die niet alleen de ziekteverschijnselen betreffen, maar ook de mentale, emotionele en lichamelijke aangeboren en verworven eigenschappen. In het onderlinge gesprek tussen arts en patiënt probeert de arts de constitutie van de patiënt vast te stellen. Daarna zoekt de arts, aan de hand van geneesmiddelbeelden, het passend geneesmiddel, waarbij deze de keuze heeft uit meer dan duizend. Het gevonden geneesmiddel onderdrukt de symptomen van de ziekte niet, maar zet de herstelfunctie van het organisme aan de ziekte te bestrijden en te overwinnen. Het geneesmiddel bestaat uit sterk verdunde stoffen. Deze sterke verdunning, waarbij volgens de homeopathie de potentie echter van de werkzame stof bij verdunning evenredig toeneemt, draagt bij tot het niet-materialistische karakter van deze geneeswijze. Een bepaald homeopathisch geneesmiddel roept bij gezonde personen dezelfde ziekteverschijnselen op. De homeopathie werkt met het uit de sfeer van het mysterie stammende similiaprincipe, een principe afkomstig van de Griekse wijsgeer en arts Hippocrates (460-377 v.g.j.), wat inhoudt: ‘het gelijke zal door het gelijkende genezen worden’. De zieke kan genezen door een middel met dezelfde kenmerken als het ziektebeeld van de patiënt. Vandaar de term homeopathie, bestaande uit de Griekse woorden homoios (gelijksoortig) en pathos (lijden).

 

Het discours wetenschap en mysterie op het terrein van de homeopathie is, vergelijkbaar met bijvoorbeeld theologie in het discours geloof en wetenschap (zie cd-rom 2), geïnstitutionaliseerd in de vorm van de Vereniging Homeopathische Artsen in Nederland (VHAN), ondersteund door de acceptatie van de meeste verzekeringen. Maar homeopathie behoort nog niet tot de dagelijkse gezondheidszorg en de zorg in ziekenhuizen, hoewel 80% van de Nederlanders vindt dat dit wel zou moeten.[10] Met de opkomst van spiritualiteit in de samenleving, met daarin aandacht voor de mens in zijn totaliteit, is ook de homeopathie weer volop in het discours wetenschap en mysterie teruggekeerd.[11]

 

Fenomenologie

Nergens in het discours wetenschap en mysterie komen de dualiteit en de paradoxen als kenmerken van dit discours zo duidelijk naar voren als in de fenomenologie. Edmund Husserl (1859-1938) zocht naar een methode, die aan de ene kant streng wetenschappelijk was, dus empirisch en met heldere begripsvorming en logica, maar die aan de andere kant recht zou kunnen doen aan het  wezen van datgene waar de benadering zich op richtte (intentionaliteit). Deze intentionaliteit in zijn methode stond echter vanaf het begin op gespannen voet met de wetenschappelijke objectiviteit, die hij eveneens nastreefde. Om deze dubbelheid van wetenschap en mysterie mogelijk te maken introduceerde hij het begrip fenomeen, verschijnsel. Een fenomeen kan van alles zijn, zowel het gefantaseerde als het werkelijke, zowel het ideële als het reële, zowel het empirische als het geestelijke. In de door hem ontwikkelde methode van de fenomenologie gaat het er om de fenomenen zodanig te benaderen dat er geen onjuist of vals beeld ontstaat van deze fenomenen. Dat kan door fenomenen te beschrijven zoals deze zich aandienen in het menselijk bewustzijn, voordat er theorievorming heeft plaatsgevonden. De fenomenen dienen dus niet waargenomen, onderzocht en beschreven te worden aan de hand van een theorie, een concept of vanuit vooronderstellingen. Het wezen van een fenomeen wordt kenbaar wanneer theorieën, hypothesen en abstracties buiten beschouwing blijven. De fenomenoloog probeert het verschijnsel onbevooroordeeld tot zich te laten spreken, vanuit een houding van zien en luisteren naar wat het fenomeen zelf te kennen geeft, om daarmee te ontdekken wat het in zichzelf is. Met dit uitgangspunt van Husserl zijn wij in de sfeer van het mysterie waarin het mysterieuze mensen overkomt en aanspreekt. Maar de methode blijft wetenschappelijk door reductie van zaken die er niet toe doen, zaken die de waarneming en beschrijving vertroebelen, zodat uiteindelijk alleen het wezenlijke van een fenomeen overblijft. Een probleem dat zich voordeed bij deze methode is de vraag wat primair is in de fenomenologische beschrijving: het bewustzijn van de mens waarin de fenomenen verschijnen, of de werkelijkheid van de verschijnselen zelf. Bewustzijn en werkelijkheid bleven een paradox in de fenomenologie.

 

De fenomenologie heeft in de eerste helft van de 20e eeuw op velen grote invloed gehad. Daarvan worden nu enkele voorbeelden gegeven.

In 1917 schreef de godsdienstpsycholoog Rudolf Otto een fenomenologie van het heilige[12], waarin hij het mysterie benoemde als het numineuze.[13] Hij beschreef de effecten die het numineuze in het bewustzijn van de mens opriep in paradoxale interacties, zoals het creatuurgevoel, ervaring van het huiveringwekkende, het overmachtige (majestas), het aanzetten tot actie (energische), de ervaring van het ‘gans andere’, het fascinerende, de ervaring van het ontzettende en het heilige als verschijning van numineuze waarde. Zijn boek werd een standaardwerk op het terrein van de bestudering van religieuze verschijnselen.

 

Gerardus van der Leeuw (1890-1950), godsdienstwetenschapper, verbonden aan de universiteit van Groningen en minister van onderwijs (1945-1946), publiceerde  in 1933 zijn hoofdwerk Phänomenologie der Religion.[14] Daarin beschrijft hij de verschillende godsdiensten naast elkaar en probeerde in wat hij waarnam samenhang en betekenis te zien. Die zag hij vooral in het verschijnsel van de ‘primitieve mentaliteit’ waarin alle mensen, los van welk cultuurpatroon ook, gemeenschap zoeken waarin zij toch tegelijk individu kunnen blijven. Met name het godsdienstige in de zin van rituelen, symbolen en verhalen biedt deze mogelijkheid. 

 

Vijf jaar na zijn dood werd in 1960 het in 1938-1940 geschreven Het verschijnsel mens van de paleontoloog en katholieke priester Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955) gepubliceerd.[15] Daarin poogde hij het louter fysisch en biologische natuurwetenschappelijke mensbeeld, het louter metafysische filosofische mensbeeld en het louter geestelijke statische theologische mensbeeld te overwinnen door het fenomeen mens te beschrijven als kosmisch verschijnsel. Hij bereikte dit door de mens te plaatsen in het perspectief van de evolutie, een evolutie die volgens hem uiteindelijk voltooid zou worden in de kosmische Christus.   

 

De arts-psychiater Jan Hendrik van den Berg (geb. 1914), emeritus hoogleraar in de fenomenologische methode en conflictpsychologie aan de Leidse universiteit, greep uit onvrede met de gebruikelijke wetenschappelijke geschiedschrijving naar de methode van de fenomenologie. Hij was tijdens studie in Frankrijk overtuigd geraakt dat de dingen meer dan één realiteit hebben, een overigens typisch mysterie kenmerk. Dat vereiste een bepaalde methode van onderzoek, die hij vond in de fenomenologie. Hij ontwikkelde een nieuwe methode van cultuurgeschiedschrijving en publiceerde deze in zijn boek Metabletica of leer der veranderingen (1956).[16] Daarin beschrijft hij, aan de hand van de samenhang van gelijktijdig optredende verschijnselen, het fenomeen van het veranderen. Belangrijke veranderingen vinden vaak gelijktijdig plaats op verschillende terreinen, zoals wetenschap, religie, architectuur en kunst. Ook de mens zelf is veranderlijk. De mens is in de loop der geschiedenis niet onveranderlijk gebleven, maar wezenlijk veranderd, waarbij Van den Berg de zin en betekenis van deze veranderingen aangeeft. Zijn Metabletica en andere publicaties werden in vele talen vertaald. Daardoor kreeg zijn fenomenologie wereldwijde bekendheid. 

 

In de tweede helft van de 20e eeuw ontstond veel kritiek op de fenomenologische methode. Met name het centrale begrip van de intentionaliteit in de fenomenologie kreeg het zwaar te verduren. Met deze kritiek raakte de fenomenologie in diskrediet. Maar met de opkomst van spiritualiteit in de samenleving is ook de fenomenologie weer in het discours wetenschap en mysterie teruggekeerd.

 

Parapsychologie

Met de parapsychologie komen wij in het discours wetenschap en mysterie op een terrein waarin de oriëntatie op het mysterie sterker is dan bij de vorige drie beschreven terreinen. Verschijnselen waarin het mysterie zich onder meer in uit, worden door de parapsychologie als serieuze gebieden van onderzoek beschouwd. Toch stoot de parapsychologie niet echt door tot de zaak van het mysterie zelf, omdat de dualiteit van wetenschap en mysterie, gelijk als in de fenomenologie, gehandhaafd blijft. De parapsychologie ziet zichzelf als een tak van wetenschap, opererend in een grensgebied van de reguliere psychologie. De terreinen, die hierna besproken zullen worden, gaan wel verder in op de zaak van het mysterie door de prioriteit in het discours te leggen bij het mysterie. De parapsychologie beperkt zich echter tot onderzoek naar verschijnselen als onder meer: paranormale ervaringen, zoals bijvoorbeeld de bijna-dood-ervaring, paranormale begaafdheden, zoals bijvoorbeeld: telepathie (het vermogen indrukken te krijgen langs buitenzintuiglijke weg met betrekking tot de gedachten, voorstellingen en emoties van anderen), helderziendheid (het ervaren of waarnemen van toekomstige gebeurtenissen op buitenzintuiglijke wijze), telekinese (het alleen door geestelijke energie doen bewegen van voorwerpen), en onderzoek naar paranormale geneeswijzen.

 

Het discours over de bijna-dood-ervaring beweegt zich van discussies over neurologische kwesties, zoals de vraag in hoeverre er bij een hartstilstand wel of geen hersenactiviteit is, tot aan discussies over bijvoorbeeld: ‘uittreden uit het lichaam’, vormen van innerlijk weten en voorstellingen van leven na de dood, de ziel, het mysteriekarakter van deze ervaring en discussies over geestelijke dimensies. Het discours over paranormale begaafdheden gaat met name over de vraag naar de validiteit van de toegepaste methoden van onderzoek naar het bestaan van deze gaven en de effecten daarvan. Over deze onderzoekmethoden bestaan felle discussies, waarbij de een de resultaten onvoldoende of pover vindt, met name door het vrijwel onmogelijk kunnen herhalen van de resultaten van onderzoek, en de ander het bewijs dat deze methoden leveren overtuigend vindt. Binnen het discours over paranormale geneeswijzen komen vooral discussies aan bod over kwesties als welke van de vele therapieën, wel en welke niet werkelijk genezend werkzaam zijn, op welke wijze bonafide genezers onderscheiden kunnen worden van de vele kwakzalvers op dit gebied, en welke opleidingen en cursussen de paranormale geneeswijzen wel of niet bevorderen. Het gaat daarbij om therapieën, zoals bijvoorbeeld:

·         magnetiseren met bijvoorbeeld instraling van kosmische energie

·         psychometrie waarin de genezer waarnemingen doet aan de hand van persoonlijke voorwerpen van de patiënt

·         haelingmethoden waarin vastzittende programmeringen bij een patiënt worden losgemaakt en verwijderd

·         radiesthesie met behulp van pendel of wichelroede bewegingen om bijvoorbeeld negatieve straling op te sporen

·         Reiki waarin door inwijdingrituelen de patiënt weer verbonden wordt met de harmonie van het universum en daarmee levenskracht ontvangt

·         handoplegging

·         gebedsgenezing

 

De belangstelling voor dit discours groeit. Dat blijkt bijvoorbeeld uit  de vele publicaties en de vele websites op internet over dit onderwerp. De verschillende instituten, zoals het in 1882 in Engeland opgerichte Society for Psychical Research en in Nederland in 1953 door W.H.C. Tenhaeff gestichte Parapsychologisch Instituut te Utrecht, hebben in de loop der jaren veel onderzoek opgezet en gedocumenteerd. Deze parapsychologische documentatie geeft het huidige discours wetenschap en mysterie onderbouwing.

 

Contemplatieve psychologie

De fenomenologie en de parapsychologie proberen een evenwicht te bewaren in de polaire spanning tussen wetenschap en mysterie. Dat maakt deze beide net zo kwetsbaar als de theologie in het discours geloof en wetenschap, waarin vanuit het geloof argwanend wordt gekeken naar zoveel ‘niet-gelovige’ wetenschap in de theologie en waarin vanuit de wetenschap twijfel wordt geuit over het wetenschappelijk karakter van de theologie (zie cd-rom 2). Op dezelfde wijze vinden velen, die zich thuis voelen in de sfeer van het mysterie, de fenomenologie en de parapsychologie te rationeel wetenschappelijk en krijgen vanuit de wetenschap beide soms het predikaat pseudo-wetenschap opgedrukt.

 

Met de contemplatieve psychologie komen wij meer in de sfeer van het mysterie. Wetenschap blijft wel een rol spelen, maar wordt nu zelf doel van kritiek en verandering. Vanuit de sfeer van het mysterie kan er het een en ander gezegd worden over wetenschap.  De grondlegger van de contemplatieve psychologie, de godsdienstpsycholoog en boeddhistisch meditatieleraar Han de Wit (geb.1944) is op zoek gegaan naar psychologische noties niet in de conventionele psychologie, maar in contemplatieve tradities. Volgens hem hebben deze tradities iets te zeggen aan de psychologie, omdat zij inzichten bevatten die voor de psychologie van grote betekenis zijn. De Wit beschrijft dus niet vanuit bestaande psychologische begrippenkaders het contemplatieve leven, maar probeert de in de contemplatieve tradities aanwezige psychologische noties op te diepen en zichtbaar te maken.[17] Zo’n notie is bijvoorbeeld het begrip discipline. Contemplatief leven is een bepaalde gedisciplineerde manier van leven. Het woord discipline kan negatief overkomen, maar hier gaat het om de beoefening van een zachtmoedige en intelligente discipline, die erop gericht is om onze menselijkheid tot bloei te brengen, zowel in onszelf als in anderen. Deze vorm van discipline levert inzicht op in de menselijke geest en werkelijkheidsbeleving.[18]

 

Omdat de oriëntatie in de contemplatieve psychologie wezenlijk anders is dan in de eerder beschreven vormen van symbiose wetenschap en mysterie, is het noodzakelijk zich uit te spreken over het mysterie. Dat doet De Wit dan ook. Daarbij kiest hij niet voor benamingen als bijvoorbeeld ‘overkomende macht’ of god, namen die veelvuldig te vinden zijn in de contemplatieve tradities van de drie monotheïstische godsdiensten, maar kiest hij voor het in het non-theïstische boeddhisme veelgebruikte woord ‘vrijheid’ in de zin van geestelijke vrijheid. Het mysterie in de vorm van geestelijke vrijheid biedt de mens een weg aan tot bevrijding uit de beknelling van door de mens zelf gemaakte patronen[19], ook van de door de conventionele psychologie geconstrueerde patronen. Die weg is in de contemplatieve psychologie een methode, die begint bij zelfonderzoek, bij het verkennen van de eigen innerlijke wereld. Daardoor ontstaat zelfkennis. Daarna kan deze zelfkennis aangewend worden tot zelfsturing, tot beheersing van eigen gedrag. In de contemplatieve tradities zijn methoden ontwikkeld voor de ontwikkeling van deze zelfkennis en zelfsturing.

 

Postmodernisme

Ook het postmodernisme spreekt zich uit over het mysterie en noemt deze ‘meerdimensionaliteit’. De werkelijkheid waarin wij leven bestaat niet uit één dimensie en is niet te vatten in één waarheid, zoals het modernisme stelt. Het postmodernisme ontstond als reactie op het modernisme. Het modernisme als vrucht van de ‘Verlichting’ met zijn sterke accent op het rationele, het empirische en het denken in termen van vooruitgang, werd in de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw vaak fel vanuit de kerken bestreden. Deze strijd leverde zelfs kerkscheuringen op doordat de ene groep gelovigen de andere groep verweet teveel met het modernisme mee te gaan. In het midden van de 20e eeuw, direct na de Tweede Wereldoorlog, ontstond, maar nu op geheel ander vlak in de samenleving, een culturele stroming, binnen de wijsbegeerte, de sociale wetenschappen en binnen de wereld van de kunst, met name de architectuur en de literatuur, die het modernisme eveneens onder kritiek stelde.

 

De kritiek van het postmodernisme richt zich op het eenheidsdenken en de eenheidsdwang van het modernisme waarin het bestaan van universele entiteiten als bijvoorbeeld mensbeeld, absolute normen en waarden, waarheid en het bestaan van een allesomvattend verhaal, zoals te vinden in christendom en in socialisme, voorondersteld worden.[20] Het postmodernisme stelde daar tegenover het bestaan van meerdimensionaliteit. Daarmee wordt bedoeld dat niet alles op één noemer valt te brengen, of vanuit één visie valt te beschrijven en te verklaren. In die zin kan ook het model met de drie dimensies: godsdienstige traditie, wetenschap en mysterie, dimensies die niet tot elkaar te herleiden zijn, postmodern genoemd worden.

 

Volgens het postmodernisme bestaat er niet één mensbeeld, maar zijn er vele mensbeelden. De opvattingen over de mens zijn afhankelijk van de historische en sociale context waarbinnen die opvattingen ontstaan. Ook objectieve kennis bestaat niet, omdat kennis plaats- en tijdgebonden is. Er kan vanaf één plaats op één moment nooit besloten worden wat voor de hele wereld moet gelden. Er bestaan vele manieren waarop begrippen betekenis kunnen krijgen. Het hangt er van af voor welke betekenis gekozen wordt. Er bestaat geen absolute waarheid, iedereen heeft zijn eigen verhaal. Geschiedenis is een chaotisch verloop van gebeurtenissen. De ‘Verlichting’ bracht enorme vooruitgang in sociaal en economisch opzicht, maar in de meest ‘verlichte’ landen ontstonden ook barbaarse moordpartijen, zoals in de Tweede Wereldoorlog met de vernietiging van 6 miljoen Joden in Europa. Toen sneuvelde elk verhaal dat hoop kon geven op een betere toekomst. Geloven in en bouwen aan de toekomst op basis van ‘grote verhalen’ bleek levensgevaarlijk. Daarmee brak de culturele ruggengraat van de Europese samenleving. Over al dit soort postmoderne uitspraken kan heftig gediscussieerd worden, wat in het postmoderne discours ook gebeurt. Onderwerpen van discussie zijn onder meer: de kwestie van plaats- en tijdgebondenheid in relatie tot de mogelijkheid van universeel inzicht, de waarde van wetenschappelijke traditie en de magische vrijheid van de individuele opvatting, de paradox van het fragmentarische en de heelheid van menselijk leven, het vinden van een nieuwe verhouding tot traditie vanuit een zeker anarchisme, de onbeperkte en beperkte mogelijkheid van taal als communicatie, de paradox van radicaal relativisme en onwrikbaar geloof in eigen visie.

 

Het postmodernisme erkent rationele en empirische wetenschap. Daarmee blijft deze stroming binnen het discours met symbiose karakter van wetenschap en mysterie. Maar deze erkenning is niet exclusief. Wetenschap is slechts één van de mogelijke manieren van kennis. Met evenveel recht kan er ook gekozen worden voor andere kenwijzen, zoals voor spirituele weten-schap[21], waarin bijvoorbeeld kennisoverdracht in de vorm van onderwijzen wordt opgevat als het ‘wonder wijzen’.[22]

 

Moderne kunst

Kunst, in al haar verschillende vormen en uitingen, kan naast godsdienstige traditie, wetenschap en mysterie, gezien worden als een vierde aparte dimensie. Door verregaande differentiatie viel wetenschap uiteen in wetenschappen. Een zelfde lot trof ook de kunst, zodat de term moderne kunsten meer van toepassing zou zijn. In dit hoofdstukje wordt de kunst echter niet als een aparte dimensie beschreven, maar als een gegeven in het discours wetenschap en mysterie.

 

Rond 1900 voltrok zich in de wereld van de kunst een diepgaande verandering. Deze verandering liep parallel aan die van de fysica in die dagen. Deze verandering kan getypeerd worden als het vrij plotselinge verdwijnen van het object. In de natuurkunde verdween de concrete voorstelling van het atoom en kon de fysische werkelijkheid alleen nog in abstracte wiskundige vormen worden beschreven. In dezelfde tijd verdween in de schilderkunst het visuele object eveneens en werd vervangen door abstracte vormen. De lijn in de schilderkunst werd een kracht in zichzelf[23], evenals punten en kleurvlakken. Daarmee schiep de schilderkunst een ‘afbeelding’ van een werkelijkheid achter de zichtbare en begrijpbare werkelijkheid, op dezelfde wijze als de fysica dat op haar manier deed. Daarmee kreeg het mysterie een nieuwe naam: abstracte werkelijkheid. De schilderkunst ontdekte dat deze voor het dagelijks oog verborgen werkelijkheid te visualiseren was. Het mysterie werd zichtbaar, maar wel in de daarbij passende vorm van de abstractie. De relativiteitstheorie van Einstein (1905), waarin een nieuwe verhouding van tijd en ruimte werd geformuleerd, ontstond vrijwel gelijktijdig met een revolutie in de schilderkunst waarin voorstellingen op verschillende tijdstippen en vanuit verschillende blikrichtingen gelijktijdig in schilderijen werden weergegeven. Deze ingrijpende verandering begon met het uit lijnen en vlakken opgebouwde schilderij Demoiselles d’Avignon (1907) van Picasso (1881-1973), zie bijgevoegde afbeelding. De figuren, een groepje prostituees in een bordeel, zijn niet vanuit één perspectief geschilderd, maar vanuit verschillende standpunten. De eendimensionale blik verving hij door een multiperspectief. Het schilderij is als het ware vanuit een herinnering, waarin iemand zich verschillende momenten en verschillende perspectieven herinnert, samengesteld. Wat in de alledaagse waarneming tijd vergt is hier ruimtelijk gevisualiseerd. Picasso noemde deze manier van schilderen ‘een spel van de Geest’. Dezelfde visualisering van ruimte en tijd werd ook mogelijk in de filmkunst. De toeschouwer van een film kan telkens in onderdelen van seconden van tijd en plaats veranderen, waarbij tevens ook nog eens het perspectief kan wisselen. Ook de muziek veranderde in het begin van de 20e eeuw ingrijpend. Arnold Schönberg (1874-1951), een christen-Jood, die ten tijde van het nazi-regime terugkeerde naar de Joodse gemeenschap, componeerde vanaf 1909 niet meer aan de hand van toonsoorten, zoals bijvoorbeeld c-dur of d-mol, maar vanuit de individuele toon zelf (atonaliteit), los van toonsoorten. Daardoor ontstond een abstracte compositie, die bij hem en zijn navolgers tot stand kwam door de volgorde van de tonen en hun wederzijdse beïnvloeding. Hij en zijn navolgers componeerden niet meer binnen een bepaalde structuur, maar schiepen zelf hun structuren voor hun muzikale composities. Schönberg ontwierp voor zijn composities de structuur van de dodecafonie. Deze bestond uit een grondreeks van twaalf halve tonen van het octaaf, die weer gevarieerd kon worden in totaal 48 verschillende reeksen van tonen. Met zijn abstracte atonale muziek hoopte hij de verborgen onderliggende werkelijkheid van mens en wereld in de muziek tot uitdrukking te brengen. Het ideaal van deze opvatting van werkelijkheid bracht zijn muziek op nieuwe wijze in contact met het mysterie. 

 

New age

In het symbiosemodel van het discours wetenschap en mysterie ligt new age in de onderlinge verhoudingen van de besproken terreinen het dichtst bij het mysterie. Het mysterie verschijnt hier reeds in de naam: Nieuwe Tijd, vaak verbonden met het werkwoord ‘nieuwe tijdsdenken’. De sterke oriëntering op het mysterie heeft gevolgen voor new age. Zoals het mysterie in veel variaties tot uitdrukking komt, kent ook New Age een scala aan vormen en inhouden, wat het discours op dit punt verwarrend kan maken. De naam new age herbergt vele uiteenlopende zaken. Onder haar vleugelen kan onder meer het volgende worden aangetroffen.

·         New age literatuur (In 2000 bestond in Nederland ongeveer 9% van de totale boekenmarkt uit new age boeken) met onderwerpen als bijvoorbeeld over: astrologie, magie, tarot (met behulp van 78 kaarten, met archetypische afbeeldingen, kan verborgen informatie over leven en gedrag van een persoon worden gevonden, met adviezen voor handelen en inzicht worden verkregen in situaties en processen met oog op de toekomst), moderne theosofie (beweging, vanaf 1875, vanuit esoterische wijsheid ontleent aan spirituele bronnen uit het oude Egypte en uit Tibet, vermeng met christelijke elementen), kabbala (Joodse mystiek, in new age verband vooral het aspect van de letter- en getallenmystiek), new age voor kinderen, druïdisme en sjamanisme (De eerste vroeg West-Europese spiritualiteit (Keltisch) en de tweede vroeg oosterse en Oost-Europese spiritualiteit), chinese filosofie, uitdredingen en astrale lichamelijkheid, doorgevingen (channeling), levenstuinen, kinderen van het licht, rebirthing (bewustwordingsmethode waarin de ademhaling centraal staat en gericht op verandering van gedrag), kosmische levensenergie, kosmische boodschappen, buitenaardse bewustzijnsvormen, incarnatie, magnetisme, spiritisme, hekserij, engelenrijk, orakels,

·         New age café’s, trefpunten, platforms en forums, centra met namen als bijvoorbeeld De Geheime Bloem, en De Lichtwereld, opleidingen, trainingen en cursussen, clubs, verenigingen,

·         Allerlei vormen van therapie, zoals bijvoorbeeld: chakratherapie (aan de hand van energiecentra in het lichaam), healings, reikitherapie (methode waarin verbinding wordt gemaakt met universele levensenergie), voedingstherapie, droomtherapieën, aromatherapie, reïncarnatietherapie, lichaamstaaltherapie, polyenergetische therapie (poly duidt op een mengsel van therapieën), hypnotherapie, kleurentherapie,

·         Paragnosten zoals onder meer: Corrie Boer, Jomanda, Monique de Graaf, Frans Spijker en Hans Verbeek,

·         Allerlei vormen van oefeningen, zoals: meditatie, yoga en tantra (Een oude traditie bestaande uit dialogen tussen onder meer mannelijk en vrouwelijk, gericht op extase waardoor de spirituele energie kan stromen. In de westerse cultuur toegepast als sekstherapie),

·         New age gemeenschappen, zoals Damanhur (Noord-Italië, tegen de Alpen waar een commune in het geheim onder leiding van Oberto Airaudi een magisch aandoende ondergrondse tempel bouwde, bestaande uit vele gangen en ruimten. De commune richt zich op magie als bewustwording van de natuurkrachten.) Findhorn (Schotland) en Sidhadorp (als een wijk van Lelystad ontstaan, met als doel het gezamenlijk tweemaal daags 20 minuten beoefenen van transcendente meditatie in de meditatiehal en daardoor gelukkiger met elkaar te kunnen leven.),

·         Winkels met new age artikelen, zoals edelstenen, atlantische sieraden, etherische oliën.

 

New age is een bonte complexe verzameling van overtuigingen, opvattingen, initiatieven en activiteiten. Het enige wat dit alles met elkaar verbindt is de overtuiging dat er een nieuwe tijd voor de gehele mensheid is aangebroken. Deze nieuwe tijd wordt bijvoorbeeld op astrologische wijze aangeduid als de tijd van de Waterman. De astrologie verdeelt de geschiedenis in tijdperken, die corresponderen met de stand van aarde en zon in relatie tot de dierenriem. Binnen new age leeft sterk de gedachte dat de geschiedenis van de mensheid een samenhangend (holistisch) geheel vormt en dat het verloop van deze geschiedenis min of meer valt te voorspellen met name aan de hand van de astrologie. Omstreeks het begin van de gebruikelijke jaartelling kruiste de baan van de zon de hemelequator in het sterrenbeeld Vissen, terwijl de vorige kruising plaats vond in het  sterrenbeeld Ram. In de geschiedenis brengen deze kosmische momenten ingrijpende collectieve spirituele en mentale veranderingen met zich mee. Tijdens de overgang van het Ramtijdperk naar het tijdperk van de Vissen ontstond het christendom. In onze tijd voltrekt zich weer een dergelijke verandering (transformatie), omdat de zon nu de hemelequator kruist in het sterrenbeeld van de Waterman  (Aquarius). Een algemene opvatting in new age is, dat kosmische gebeurtenissen invloed uitoefenen op veranderingen op aarde, een opvatting die overigens ook sterk leefde in de middeleeuwen. De nieuwe tijd die nu aanbreekt kenmerkt zich door de vrijheid van het individu in tegenstelling tot de onderwerping aan de institutionele machten uit het Vissentijdperk. Ook vaste zekerheden, absolute waarden en absolute waarheid verdwijnen en maken plaats voor werkelijkheden als liefde en ervaren eenheid. Deze holistische eenheid wordt niet alleen in de wereld ervaren, maar ook in de eigen individualiteit, bijvoorbeeld in de eenheid van lichaam en geest. Veel new age therapieën werken vanuit deze eenheid. De tijd van strijd en oorlog ebt weg en een tijd van harmonie breekt aan. Oude tegenstellingen worden vervangen door een hogere synthese. Daarbij ontvangt de mensheid hulp door een spirituele wereld van waaruit, met name in onze tijd, veel geestelijke energie stroomt naar de aarde en naar elk mens afzonderlijk. Elk mens volgt zijn eigen individuele spirituele ontwikkelingspad, daarbij gebruikmakend van begeleiding van leraren in cursussen en therapieën die passen in de eigen innerlijke beleving. Deze spirituele krachten worden niet geïnterpreteerd met behulp van traditionele kaders, zoals de kerken die bieden, maar bijvoorbeeld met noties ontleend aan tradities, die vooraf gingen aan de monotheïstische godsdiensten, zoals het sjamanisme en andere oosterse spirituele culturen.[24] 

 

Aantekeningen

 



[1] Zie Eduard Buess Die Geschichte des Mytischen Erkennens, München 1953, pag.106 – 142.

[2] Jomanda, Overwegingen, leidraad tot bewuster denken, Blaricum 1995, pag.26-27.

[3] Iteke Weeda, Spiritualiteit en Wetenschap, Amsterdam 1996.

[4] E. Buess a.w. pag.27-28, 69-71.

[5] Fritjof Capra De tao van fysica 1977, in 1982 in het Nederlands. Gary Zukav, De Dansende Woe-Li Meesters, 1979, in 1981 in het Nederlands Amsterdam.

[6] A. van den Beukel, De dingen hebben hun geheim, Baarn 1990.

[7] Er bestaat ook klinische homeopathie, waarbij de arts kiest voor een middel dat meer correspondeert met de symptomen van de ziekte, dan met de algemene symptomen van de patiënt. Niet de gehele persoon, maar de ziekte staat dan centraal. Klinische homeopathie wordt toegepast met name in acute situaties.

[8] Zie Samuel Hahnemann, Organon der Heilkunst 6.Auflage, 1842 § 9 Im gesunden Zustande des Menschen waltet die geistigartige, als Dynamis den materiellen Körper (Organism) belebende Lebenskraft (Autokratie) unumschränkt und hält alle seine Theile in bewundernswürdig harmonischem Lebensgange in Gefühlen und Thätigkeiten, so dasz unser inwohnende, vernünftige Geist sich dieses lebendigen, gesunden Werkzeugs frei zu dem höhern Zwecke unsers Daseins bedienen kann.

Critici zien in het vitalistisch uitgangspunt, dat inmiddels in het wijsgerig denken geen rol meer speelt, een reden om de homeopathie te verwerpen.

[9] Een groep patiënten die het medicijn wel krijgt en een groep die een placebo krijgt, waarbij noch de patiënt, noch de behandelaars weten tot welke groep een patiënt hoort, uitgevoerd in een gecontroleerde klinische situatie.

[10] A.L.B.Rutten, arts voor homeopathie in Breda en Dordrecht, bron: internet.

[11] Marc Meuleman in Eos-magazine nr.10, oktober 1998.

[12] Rudolf Otto Das Heilige, München, 1917. In Nederland zijn verschillende vertalingen verschenen waaronder die van J.W.Dippel, Amsterdam 1928.

[13] Het woord numen duidde in het Latijn op de hoofdknik waarmee een godheid een offer aanvaardde of welbehagen uitte aan degene die aanbaden. Later is het woord van alles gaan betekenen, zoals goddelijk, heilig, spiritueel, magisch en bovennatuurlijk.

[14] G. van der Leeuw Phänomenologie der Religion, Tübingen 1933.

[15] Pierre Teilhard de Chardin, Le Phénomène humain, Parijs 1960, met in hetzelfde jaar ook een vertaling in het Nederlands.

[16] J.H. van den Berg Metabletica of leer der veranderingen, Nijkerk 1956 met vertalingen onder meer in het Duits (1960), Engels (1961 en 1964), in het Frans (1962) en in het Spaans (1963).

[17] Han de Wit Contemplatieve psychologie, in Iteke Weeda Spiritualiteit en wetenschap, Amsterdam 1996, p.164-171. Han de Wit Contemplatieve psychologie, Kampen 1987.

[18] Han de Wit a.w. p.166.

[19] Han de Wit a.w. p. 170-171.

[20] De filosoof J. F. Lyotard gaf in 1979 deze stroming in kunst en wetenschap de naam postmodernisme. Ook van hem is afkomstig de opvatting van de teloorgang van de grote verhalen, zoals van humanisme, liberalisme en marxisme. Later voegde hij daar het christendom aan toe. J.F.Lyotard La condition postmoderne – rapport sur le savoir, Parijs 1979, Het postmoderne weten, Kampen 1987).

[21] Peter Schmid Weten en Spirit in Iteke Weeda Spiritualiteit en Wetenschap a.w., p.203-206.

[22] Jacques Claes Onderwijzen: het wonder wijzen, Kapellen 1987.

[23] Zie Geo Wissen, nr.29 Erkenntnis, Weisheit, Spiritualität, Hamburg 2002, p.76. De hoofdlijn van dit gedeelte is ontleend aan het artikel van Ernst Peter Fischer Die Physik, die Kunst und der geist der Zeit, in Geo Wissen, nr.29, p.74-83.

[24] In het discours wetenschap en mysterie wordt bij verschillende onderwerpen en activiteiten, met name bij de therapieën, geprobeerd deze wetenschappelijk te onderbouwen. Bijvoorbeeld het vele onderzoek dat door verscheidene universiteiten en onafhankelijke instituten in diverse landen naar het effect van transcendente meditatie wordt gedaan. Dat levert onder meer discussies op over de validiteit van de gehanteerde wetenschappelijke methoden.



< Terug naar inhoudsopgave